Andermaal (29 augustus 1889) komt Hortense Vandenkerckhove, Alidor Henri’s moeder tussen en ditmaal om de schulden van haar zoon, die hij maakte door ongelukkige investeringen te doen in de spoorwegen vóór hun huwelijk (zie aflevering van 30 augustus 2008) af te lossen. Het gezin Joniaux-Ablay lijkt weg te zinken in financieel drijfzand. Hoe harder men zich weert, des te dieper men zinkt. Blitz-oplossingen zoals gokken laten een enkele keer proeven van het geluk. Veel vaker slaat het noodlot onherroepelijk en onverbiddelijk toe. Soms lijkt de redding nabij, doch dit is als een fata morgana die verdwijnt van zodra men hem nadert.
In oktober 1889 werd George Ablay, zoon van Alfred Ablay en diens echtgenote Meskens d’Eglegem, meerderjarig. De jongeling was na het overlijden van zijn moeder in 1873, samen met zijn broer Lionel, door zijn vader aan zijn lot overgelaten. Nadat vader Alfred via omzwervingen in Argentinië en Algiers in Parijs terecht was gekomen, had de nabije familie (moeder Meskens, oom Charles Ablay en tante Marie Théresia) een oogje in het zeil gehouden. George, die samen met zijn grootmoeder Mevr. Meskens enige bezittingen had, bleek schulden gemaakt te hebben waarvan hij het bestaan voor zijn grootmoeder wenste geheim te houden. Maria Théresia stelde hem in juli 1890 voor om als bemiddelaarster op te treden voor een lening van 38.000 frank die op die wijze verborgen kon blijven voor Mevr. Meskens. Natuurlijk, voor wat hoort wat. Van de 38.000 geleende franken gingen er 15.000 frank naar George zelf en de overige 23.000 frank werden aan tante Maria Théresia overgemaakt bij wijze van commissieloon! Daarenboven werd de kwitantie pas door haar opgemaakt nadat veel later haar broer Alfred (vader van George) boos hierop aandrong.
De afhandeling van deze voor haar lucratieve transactie kon niet snel genoeg gaan. De situatie werd steeds wanhopiger en op 30 november 1890 ontving Hortense Vandenkerckhove opnieuw een smeekbede:
“Lieve moeder, wees zo goed de hierbij ingevoegde wissel in regel te brengen. Ik verwacht het geld dat George mij beloofd heeft te zenden. Doch, daar ik niet weet hoeveel hij mij zenden zal, gelieve het bedrag niet in te vullen. Ik zal dat zelf doen. Het bedrag is achtduizend frank. Ik zal dus het woord vijf of zes invullen, naargelang ik ontvangen zal. Neem enkel goed aandacht dat gij de letter “m” van het woord “duizend” (“mille” – nvdr) met welk de regel begint, niet in hoofdletter schrijft.”
De bloglezer, die zich ooit de moeite getroostte om zich doorheen de meer dan 900 pagina’s tellende turf Anna Karenina van de hand van Tolstoj (publicatiejaar 1877) te worstelen om in de laatste 20 pagina’s getrakteerd te worden op een knap staaltje filosofische conclusies, zal vast en zeker de overeenkomsten met dit deel van de Joniaux Saga opgevallen zijn. Rond het (vrouwelijke) hoofdpersonage ontspint zich een kluwen van personen, zich veelal situerend in de kringen van de gegoede burgerij en het leger en zich afspelend in hetzelfde tijdperk. Sta mij toe toch enkele niet onbelangrijke verschilpunten op te merken: Ten eerste is de Joniaux Saga integraal het relaas van werkelijk gebeurde feiten en niet het resultaat van fantasieën. Ten tweede is ons schrijverstalent slechts een flauw afkooksel van Tostoj’s magistrale pen. Maar… we doen ons best en we werken er aan.
Wordt weldra vervolgd…