Op iets meer dan een jaar tijd overleden geheel onverwachts ten huize van de familie Joniaux-Ablay te Antwerpen twee naaste familieleden die bij het gezin te gast waren. Zeker de dood van Jaak Vandenkerckhove kwam voor velen als een donderslag bij heldere hemel. Alhoewel hij een corpulent figuur was, leek hij toch in een goede gezondheid. Zo verklaarde generaal Kraus zelfs dat hij één of twee dagen voor zijn overlijden Jaak had gezien terwijl hij een bereden paard te voet, bijna lopende, volgde. Ook zijn eigen arts Dr. Godenne was verrast geweest door zijn plotse heengaan.
Langzaam maar zeker kwam de geruchtenmolen op gang. Mevr. Marie Theresia Joniaux-Ablay was in alle lagen van de bevolking een gekende figuur en haar gedrag veroorzaakte op meer dan één plaats afgunst en wrevel. Op het Parket kwamen de eerste brieven binnen waarin het woord “vergif” voorkwam. Blijkbaar hadden bepaalde personen hun eigen versie van de gebeurtenissen en kwaad opzet bij de beide overlijdens werd meer dan eens aangehaald.
Alidor Henri Joniaux werd door verwanten op de hoogte gebracht van wat er omging in het publiek. Zo schreef Alfred Ablay, broer van Marie Thérèse, die in Parijs woonde (zie ook aflevering 065) op 29 november 1893 een brief naar zijn schoonbroer met volgende woorden: “Iemand van onze familie zegt van u: ik wil niets gemeen met hem en ik vertel met genoegen overal dat het moordenaars zijn. De dood van hun oom en die van Leonie bij hen voorgevallen, geven er mij gelegenheid toe.”
Alidor Henri was ten zeerste verontwaardigd. Niet alleen het “publiek” sprak lasterende taal maar zelfs iemand van hun eigen familie beschuldigde hem en zijn vrouw zonder omwegen van de moord op hun familieleden. Als man van eer kon hij dit niet zo laten en hij begaf zich op 14 december 1893 naar procureur des Konings te Brussel, aangezien de persoon in kwestie in de hoofdstad woonde. Hij overhandigde de magistraat de brief die hij van Alfred Ablay ontvangen had en vroeg hem om advies.
Om iemand te kunnen aanklagen voor laster was er meer nodig dan een brief van derden. Hij adviseerde Alidor om twee personen van aanzien naar de desbetreffende persoon te sturen en hem met de geuite beschuldigingen te confronteren. Daarom wendde Alidor zich tot generaal V.A. te Antwerpen en kolonel d.V.d.F. te Leuven die deze taak op zich namen. De persoon in kwestie loochende schriftelijk en formeel op 22 december 1893 deze zaken ooit uitgesproken te hebben, doch dit weerhield Alfred Ablay er niet van bij zijn standpunt te blijven.
Officieel oordeelde het Parket het niet nodig nog verder belang te hechten aan de naamloze brieven. Er werd een dossier opgemaakt en de brieven werden geklasseerd en bewaard. Of hiermee een einde gekomen was aan de haatcampagne?!
De historische zoektocht naar de achtergronden, de belevenissen en de familiebanden van personen over de ganse wereld met als gemeenschappelijk kenmerk de naam Joniaux.
30 december 2009
25 december 2009
Aflevering 093: Het testament
Op 17 maart 1893 brachten Leon en Alidor Henri Joniaux de onheilstijding bij Mej. V. W. dat haar partner Jaak Vandenkerckhove diezelfde ochtend rond 11 uur overleden was. De vrederechter die bij hen was vroeg Mej. V. W. hem in het huis te vergezellen om hem de waardevolle bezittingen in het huis te tonen. Zij deed dit en de rechter legde de zegels op de deur van het bureel van Jaak, op de geldkist en op een wastafel waarin kostbaar zilverwerk opgeborgen was.
Nadat de vrederechter en zijn griffier het huis verlaten hadden, bleven Mej. V. W., een vriendin van haar, de gebroeders Joniaux en enkele van Jaaks vrienden in de eetkamer achter. En zoals te verwachten kwam op zeker ogenblik het onderwerp “testament” naar voor. Eén van de aanwezigen (wij weten niet wie) was er vast van overtuigd dat Jaak een testament had laten opmaken, gezien hij nog steeds niet wettelijk gehuwd was met zijn levensgezellin.
Advocaat Mr. Fredericq werd ontboden en Mej. V.W. overhandigde hem het testament (dat zij blijkbaar in haar bezit had). Luidop las Mr. Fredericq het officiële document voor. Hierin werd de zoon van Mej. V. W., ter uitsluiting van alle anderen, enige erfgenaam en legataris, behalve voor wat betreft de eigendom in de luciferfabriek die Jaak bezat in Servië. Dit liet hij na aan zijn zus Hortense Vandenkerckhove en aan zijn “neven en nichten”, zonen en dochters van “mijner zusters”.
Dit laatste schept enige verwarring en wij, als onderzoekers, zijn nog niet geheel zeker van de ware betekenis van deze tekst. Dat Jaak neven had, dat was ons bekend. Namelijk: Alidor Henri, Leon en Hector Joniaux, zonen van Hortense Vandenkerckhove en Henri Joniaux. Maar wanneer hij spreekt over “nichten”, dan zou dat willen zeggen dat deze gebroeders nog zussen hadden. Ook is er nog een andere mogelijkheid. In “mijner zusters” kan de eind-s een genitief s zijn (van mijn zuster) of een meervoud-s (van meerdere zusters). We zijn nergens een zus van Hortense tegen gekomen en moeten dus (voorlopig) de juiste toedracht schuldig blijven.
Hoe dan ook, de nalatenschap van de luciferfabriek die Hortense erfde, werd belast met de som van 100.000 frank, die betaald moest worden aan de algemene legataris. De “stekskesfabriek”, waar Hector Joniaux bestuurder van was, werd dus eigendom van de “Joniaux-clan”.
Om meer informatie in te winnen over de luciferfabriek namen we contact op met Dhr. Danny Robben, die gezien kan worden als een autoriteit op het gebied van de geschiedenis van de lucifers in België. Hij vond het zeer vreemd dat Belgen in Servië een “stekskesfabriek” zouden bezeten hebben. Het verhaal was hem onbekend. Toch kunnen formeel bevestigen dat het verhaal klopt en we zullen hier ten gepaste tijde nog op terug komen.
In de volgende afleveringen van onze blog gaan we echter eerst dieper ingaan op de gevolgen van Jaaks overlijden op de familie Joniaux-Ablay. Tot dan!
Nadat de vrederechter en zijn griffier het huis verlaten hadden, bleven Mej. V. W., een vriendin van haar, de gebroeders Joniaux en enkele van Jaaks vrienden in de eetkamer achter. En zoals te verwachten kwam op zeker ogenblik het onderwerp “testament” naar voor. Eén van de aanwezigen (wij weten niet wie) was er vast van overtuigd dat Jaak een testament had laten opmaken, gezien hij nog steeds niet wettelijk gehuwd was met zijn levensgezellin.
Advocaat Mr. Fredericq werd ontboden en Mej. V.W. overhandigde hem het testament (dat zij blijkbaar in haar bezit had). Luidop las Mr. Fredericq het officiële document voor. Hierin werd de zoon van Mej. V. W., ter uitsluiting van alle anderen, enige erfgenaam en legataris, behalve voor wat betreft de eigendom in de luciferfabriek die Jaak bezat in Servië. Dit liet hij na aan zijn zus Hortense Vandenkerckhove en aan zijn “neven en nichten”, zonen en dochters van “mijner zusters”.
Dit laatste schept enige verwarring en wij, als onderzoekers, zijn nog niet geheel zeker van de ware betekenis van deze tekst. Dat Jaak neven had, dat was ons bekend. Namelijk: Alidor Henri, Leon en Hector Joniaux, zonen van Hortense Vandenkerckhove en Henri Joniaux. Maar wanneer hij spreekt over “nichten”, dan zou dat willen zeggen dat deze gebroeders nog zussen hadden. Ook is er nog een andere mogelijkheid. In “mijner zusters” kan de eind-s een genitief s zijn (van mijn zuster) of een meervoud-s (van meerdere zusters). We zijn nergens een zus van Hortense tegen gekomen en moeten dus (voorlopig) de juiste toedracht schuldig blijven.
Hoe dan ook, de nalatenschap van de luciferfabriek die Hortense erfde, werd belast met de som van 100.000 frank, die betaald moest worden aan de algemene legataris. De “stekskesfabriek”, waar Hector Joniaux bestuurder van was, werd dus eigendom van de “Joniaux-clan”.
Om meer informatie in te winnen over de luciferfabriek namen we contact op met Dhr. Danny Robben, die gezien kan worden als een autoriteit op het gebied van de geschiedenis van de lucifers in België. Hij vond het zeer vreemd dat Belgen in Servië een “stekskesfabriek” zouden bezeten hebben. Het verhaal was hem onbekend. Toch kunnen formeel bevestigen dat het verhaal klopt en we zullen hier ten gepaste tijde nog op terug komen.
In de volgende afleveringen van onze blog gaan we echter eerst dieper ingaan op de gevolgen van Jaaks overlijden op de familie Joniaux-Ablay. Tot dan!
15 december 2009
Aflevering 092: Een feest met dodelijke afloop...
Het gezin Joniaux-Ablay organiseerde op 16 maart 1893 een feestmaaltijd in hun woning aan de Nerviërsstraat 33 te Antwerpen ter gelegenheid van de promotie van Alidor Henri Joniaux tot hoofdingenieur 1ste klas bij de Dienst Bruggen en Wegen. Als genodigden waren buiten het gastgezin (zonder (stief-)dochter Jeanne en haar echtgenoot Oscar Mertens) aanwezig: de broers van Alidor Henri Joniaux, nl. Hector en Leon, hun moeder Hortense Joniaux-Vandenkerckhove en hun oom Jaak Vandenkerckhove.
In de loop van de vooravond, even nadat de dienstmeid de koffie had geserveerd, voelde Jaak Vandenkerckhove zich onwel; verontschuldigde zich en verliet de tafel om zich terug te trekken in één van de gastenkamers. De gesprekken aan de feesttafel gingen verder, doch toen ze op de bovenste verdieping stommelende geluiden hoorden, begon het gezelschap zich toch enigermate zorgen te maken. Alidor Henri en Leon gingen een kijkje nemen en troffen Jaak ernstig ziek aan zodat ze onmiddellijk Dr. Moritor ontboden. Toen deze rond 19.00 uur arriveerde, vond hij de toestand van de patiënt zo precair, dat hij een collega arts, Dr. Desguin, om bijkomend advies vroeg en op basis van de symptomen werd de diagnose “beroerte” gesteld.
Rond dezelfde tijd ontving Mej. V.W., ongehuwde levensgezellin van Jaak Vandenkerckhove en moeder van zijn 12-jarige zoontje, een telegram met de woorden:
“Keer dezen avond niet terug; ik blijf (getekend) Leon Jaak”
Ook al had Jaak haar vooraf te kennen gegeven dezelfde avond nog terug thuis te willen zijn, was ze niet verontrust door dit bericht. Zij was van mening dat hij zich goed vermaakte en daarom besloten had zijn bezoek te verlengen.
Toen ’s anderendaags rond 17.00 u bij Mej. V. W. in Gent werd aangebeld en Alidor Henri samen met zijn broer Leon zich aanboden, vergezeld van vrederechter D’Hoop en diens griffier, maar zonder Jaak, begon zij zich toch enigszins onbehaaglijk te voelen. Vooraf had Jaak Mej. V.W. op de hoogte gebracht van het feit dat Leon samen met majoor Timmermans en ene Mej. C. op bezoek zouden komen, maar nu bood zich, buiten Leon, een ander gezelschap aan. Leon, die hier vriend aan huis was, nam het woord:
“Madame, ik heb u eene slechte tijding aan te kondigen: mijn oom is overleden…”
Mej. V.W. voelde de grond onder haar voeten wegzinken…
In de loop van de vooravond, even nadat de dienstmeid de koffie had geserveerd, voelde Jaak Vandenkerckhove zich onwel; verontschuldigde zich en verliet de tafel om zich terug te trekken in één van de gastenkamers. De gesprekken aan de feesttafel gingen verder, doch toen ze op de bovenste verdieping stommelende geluiden hoorden, begon het gezelschap zich toch enigermate zorgen te maken. Alidor Henri en Leon gingen een kijkje nemen en troffen Jaak ernstig ziek aan zodat ze onmiddellijk Dr. Moritor ontboden. Toen deze rond 19.00 uur arriveerde, vond hij de toestand van de patiënt zo precair, dat hij een collega arts, Dr. Desguin, om bijkomend advies vroeg en op basis van de symptomen werd de diagnose “beroerte” gesteld.
Rond dezelfde tijd ontving Mej. V.W., ongehuwde levensgezellin van Jaak Vandenkerckhove en moeder van zijn 12-jarige zoontje, een telegram met de woorden:
“Keer dezen avond niet terug; ik blijf (getekend) Leon Jaak”
Ook al had Jaak haar vooraf te kennen gegeven dezelfde avond nog terug thuis te willen zijn, was ze niet verontrust door dit bericht. Zij was van mening dat hij zich goed vermaakte en daarom besloten had zijn bezoek te verlengen.
Toen ’s anderendaags rond 17.00 u bij Mej. V. W. in Gent werd aangebeld en Alidor Henri samen met zijn broer Leon zich aanboden, vergezeld van vrederechter D’Hoop en diens griffier, maar zonder Jaak, begon zij zich toch enigszins onbehaaglijk te voelen. Vooraf had Jaak Mej. V.W. op de hoogte gebracht van het feit dat Leon samen met majoor Timmermans en ene Mej. C. op bezoek zouden komen, maar nu bood zich, buiten Leon, een ander gezelschap aan. Leon, die hier vriend aan huis was, nam het woord:
“Madame, ik heb u eene slechte tijding aan te kondigen: mijn oom is overleden…”
Mej. V.W. voelde de grond onder haar voeten wegzinken…
09 december 2009
Aflevering 091: Het gezin Joniaux-Ablay in Antwerpen
Het gezin Joniaux-Ablay woonde in 1892 in de Nerviërsstraat 33 te Antwerpen. De zus van Mevr. Joniaux-Ablay, Leonie Ablay,die tijdelijk bij het gezin vertoefde, was na een korte ziekte overleden. Het niet aanzienlijke bedrag van haar levensverzekering was uitgekeerd op het hoofd van Jeanne Faber, de dochter van Mevr. Joniaux-Ablay uit haar vorig huwelijk met wijlen Fréderic Faber. Door deze plotse financiële boost, kon een rijkelijk huwelijksfeest tussen Jeanne Faber en haar verloofde Oscar Mertens plaatsvinden. Het gezin Joniaux-Ablay was immers in een financiële precaire situatie verzeild geraakt door mislukte speculaties en onachtzaamheid. Nu konden echter de schulden die zij hadden bij diverse personen terugbetaald worden en er bleek zelfs geld over voor een reis van Mevr. Joniaux-Ablay (Maria Théresia Ablay) en haar 20-jarige stiefdochter Marie Marguerite Joniaux naar Italië en Monaco.
Het doel van deze reis is voor ons onbekend. Waren ze gewoon toe aan wat ontspanning na het toch wel dramatisch overlijden van zus en tante Leonie Ablay of kriebelde het gokvirus bij Maria Théresia opnieuw? Mogelijks waren ze zelfs op zoek naar een geschikte partner voor de jonge Marie Marguerite en waar zou je zo iemand beter kunnen vinden dan in het mondaine Monaco?
Opnieuw thuisgekomen werd dit mondaine leven verder gezet ten huize van de familie Joniaux-Ablay. Regelmatig kwamen jonge advocaten en ingenieurs over de vloer. De dochters Joniaux leken fel gegeerd te zijn. Hoe kon het anders? Marie Théresia, hun stiefmoeder, organiseerde uitbundige soirees met hooggeplaatste genodigden. Hiervoor bouwde ze een indrukwekkend sociaal netwerk uit met baronnen en ridders die ze imponeerde met haar extravagante juwelen. Hier en daar stelde men zich hardop de vraag waar ze het geld vandaan bleven halen. Alidor Henri had weliswaar een meer dan behoorlijke jaarwedde bij de Dienst Bruggen en Wegen, maar echt spectaculair was dit toch ook niet. Er werd zelfs gefluisterd dat in de Nerviërsstraat voor grof geld gespeeld werd, zodat men toch een dubbel gevoel kreeg bij het zien van hun weelderig leven.
Intussen werkte Alidor Henri gestadig door aan zijn carrière als hoofdingenieur 2de klas bij de Dienst Bruggen en Wegen. Hij werd zelfs gepromoveerd tot hoofdingenieur 1ste klas. Bij die gelegenheid wilde het gezin Joniaux-Ablay een feestmaal geven op 16 maart 1893 voor een aantal familieleden, waaronder Alidor Henri’s oom langs moeders zijde: Jaak Vandekerckhove. Gezien deze laatste een belangrijke rol zal spelen in de volgende gebeurtenissen raden we de lezer aan afleveringen 021 en 022 nog eens opnieuw te lezen. Jaak had al een keertje moeten passen bij een eerste uitnodiging voor dit feest, hetgeen voor het gastgezin reden genoeg was om het uit te stellen. Nu kon Jaak niet meer weigeren en ondanks het feit dat hij de avond van tevoren nog een feestje in Café du Miroir te Gent had bijgewoond met vrienden stapte hij op 16 maart 1893 samen met majoor Timmermans in Gent op de trein richting Antwerpen…
Het doel van deze reis is voor ons onbekend. Waren ze gewoon toe aan wat ontspanning na het toch wel dramatisch overlijden van zus en tante Leonie Ablay of kriebelde het gokvirus bij Maria Théresia opnieuw? Mogelijks waren ze zelfs op zoek naar een geschikte partner voor de jonge Marie Marguerite en waar zou je zo iemand beter kunnen vinden dan in het mondaine Monaco?
Opnieuw thuisgekomen werd dit mondaine leven verder gezet ten huize van de familie Joniaux-Ablay. Regelmatig kwamen jonge advocaten en ingenieurs over de vloer. De dochters Joniaux leken fel gegeerd te zijn. Hoe kon het anders? Marie Théresia, hun stiefmoeder, organiseerde uitbundige soirees met hooggeplaatste genodigden. Hiervoor bouwde ze een indrukwekkend sociaal netwerk uit met baronnen en ridders die ze imponeerde met haar extravagante juwelen. Hier en daar stelde men zich hardop de vraag waar ze het geld vandaan bleven halen. Alidor Henri had weliswaar een meer dan behoorlijke jaarwedde bij de Dienst Bruggen en Wegen, maar echt spectaculair was dit toch ook niet. Er werd zelfs gefluisterd dat in de Nerviërsstraat voor grof geld gespeeld werd, zodat men toch een dubbel gevoel kreeg bij het zien van hun weelderig leven.
Intussen werkte Alidor Henri gestadig door aan zijn carrière als hoofdingenieur 2de klas bij de Dienst Bruggen en Wegen. Hij werd zelfs gepromoveerd tot hoofdingenieur 1ste klas. Bij die gelegenheid wilde het gezin Joniaux-Ablay een feestmaal geven op 16 maart 1893 voor een aantal familieleden, waaronder Alidor Henri’s oom langs moeders zijde: Jaak Vandekerckhove. Gezien deze laatste een belangrijke rol zal spelen in de volgende gebeurtenissen raden we de lezer aan afleveringen 021 en 022 nog eens opnieuw te lezen. Jaak had al een keertje moeten passen bij een eerste uitnodiging voor dit feest, hetgeen voor het gastgezin reden genoeg was om het uit te stellen. Nu kon Jaak niet meer weigeren en ondanks het feit dat hij de avond van tevoren nog een feestje in Café du Miroir te Gent had bijgewoond met vrienden stapte hij op 16 maart 1893 samen met majoor Timmermans in Gent op de trein richting Antwerpen…
03 december 2009
Aflevering 090: Joseph L. en Jules Richard Joniaux
Laat ons even teruggaan naar aflevering 082 waarin we het gezin van John B. Joniaux bespraken. John B. was de zoon van Theophile Joniaux, die op zijn beurt de zoon was van Jean Baptiste Joniaux, die in 1856 besloot België te verlaten om zijn geluk in de VS te beproeven.
John B. had, voor zover wij weten (en zoals we in deze aflevering 082 vertelden), 6 kinderen: twee meisjes en 4 jongens. Van aflevering 083 tot en met aflevering 089 werden de afstammelingen besproken van de oudste 4 kinderen. Bij onze opzoekingen hadden we heel wat geluk en we kunnen stellen dat deze gegevens vrij volledig en correct zijn. Mocht dit toch niet het geval zijn, dan verzoeken we de lezer ons hiervan op de hoogte te stellen.
Over de twee jongste kinderen kunnen we echter niet veel vertellen. Joseph L. Joniaux zou geboren zijn op 23 januari 1904 en overleden op 9 mei 1953. De afkorting USNR, die naar verluidt op zijn graf zou staan, wijst erop dat hij waarschijnlijk reservist was bij de zeemacht van het Amerikaans leger. De toevoeging WWI duidt dan weer op de Eerste Wereldoorlog. Dit lijkt eerder onlogisch, want bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was Joseph L. nauwelijks 10 jaar en bij het beëindigen 14 jaar. Daarenboven was de inbreng van de Amerikaanse Zeemacht in de Eerste Wereldoorlog eerder gering. Mogelijks zou de toevoeging dan ook WW II moeten zijn en dus slaan op de Tweede Wereldoorlog.
Opvallend is het feit dat van de zonen en schoonzonen van John B. de meesten in militaire dienst waren. Datzelfde lijkt het geval te zijn voor Jules Richard Joniaux, de jongste zoon. Zijn graf vinden we terug aan de andere zijde van de VS, dicht tegen de grens met Mexico; met name in San Diego. Op het kerkhof Fort Rosecrans National Cemetry kan je lezen dat Jules Richard Joniaux geboren was op 14 december 1907 en gestorven is op 4 juni 1993. Hier staat vermeldt: SGT USAAC. Hij was dus sergeant bij de Amerikaanse luchtmacht (United States Army Air Corps, dit is de voorloper van de United States Army Air Forces).
Al googlend vinden we in en rond San Diego meerdere naamgenoten Joniaux. Tot nog toe ben ik er niet in geslaagd met één van hen in contact te komen. Er moeten vast en zeker nakomelingen van Jules Richard tussen zitten. Daarom opnieuw een oproep aan onze lezers: wie kan ons in contact brengen met Joniaux’ in San Diego, afstammelingen van Jules Richard Joniaux en met afstammelingen van Joseph L. Joniaux, geboren in Wisconsin?
John B. had, voor zover wij weten (en zoals we in deze aflevering 082 vertelden), 6 kinderen: twee meisjes en 4 jongens. Van aflevering 083 tot en met aflevering 089 werden de afstammelingen besproken van de oudste 4 kinderen. Bij onze opzoekingen hadden we heel wat geluk en we kunnen stellen dat deze gegevens vrij volledig en correct zijn. Mocht dit toch niet het geval zijn, dan verzoeken we de lezer ons hiervan op de hoogte te stellen.
Over de twee jongste kinderen kunnen we echter niet veel vertellen. Joseph L. Joniaux zou geboren zijn op 23 januari 1904 en overleden op 9 mei 1953. De afkorting USNR, die naar verluidt op zijn graf zou staan, wijst erop dat hij waarschijnlijk reservist was bij de zeemacht van het Amerikaans leger. De toevoeging WWI duidt dan weer op de Eerste Wereldoorlog. Dit lijkt eerder onlogisch, want bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was Joseph L. nauwelijks 10 jaar en bij het beëindigen 14 jaar. Daarenboven was de inbreng van de Amerikaanse Zeemacht in de Eerste Wereldoorlog eerder gering. Mogelijks zou de toevoeging dan ook WW II moeten zijn en dus slaan op de Tweede Wereldoorlog.
Opvallend is het feit dat van de zonen en schoonzonen van John B. de meesten in militaire dienst waren. Datzelfde lijkt het geval te zijn voor Jules Richard Joniaux, de jongste zoon. Zijn graf vinden we terug aan de andere zijde van de VS, dicht tegen de grens met Mexico; met name in San Diego. Op het kerkhof Fort Rosecrans National Cemetry kan je lezen dat Jules Richard Joniaux geboren was op 14 december 1907 en gestorven is op 4 juni 1993. Hier staat vermeldt: SGT USAAC. Hij was dus sergeant bij de Amerikaanse luchtmacht (United States Army Air Corps, dit is de voorloper van de United States Army Air Forces).
Al googlend vinden we in en rond San Diego meerdere naamgenoten Joniaux. Tot nog toe ben ik er niet in geslaagd met één van hen in contact te komen. Er moeten vast en zeker nakomelingen van Jules Richard tussen zitten. Daarom opnieuw een oproep aan onze lezers: wie kan ons in contact brengen met Joniaux’ in San Diego, afstammelingen van Jules Richard Joniaux en met afstammelingen van Joseph L. Joniaux, geboren in Wisconsin?
Abonneren op:
Posts (Atom)