20 juni 2009

Aflevering 053: Het huis van mijn gfrootvader

Herinneringen. Soms zijn ze zeer belangrijk en hebben ze een groot impact op je verder leven. Vaak zijn het enkel losse stukjes van een puzzel die samen jouw levensverhaal en dat van de jou omringende personen vormen. Mijn grootvader, Antoon Evrard Joniaux, woonde (in de periode die ik mij herinner) in Kesselt, in de Kerkstraat nummer 17. Dat was op de hoek met het straatje naar de school en tegenover het kapelletje. Mijn grootvader was postbode en de bij hem inwonende ongehuwde dochter Maria Anna had een kruidenierswinkel. Er woonde ook nog een ongehuwde zoon, Hubertus Joannes, bij hen in.

In het kleine dorpje had mijn grootvader een bijnaam. Of beter gezegd: de plaats waar hun huis zich bevond had een bijnaam. Men zei niet: ”Ga eens wat kaas halen in de winkel op de hoek.”, maar “Gaank is get kies hoale bij Evera (of Maaria) van ’t Chenske”. Naar ik ooit hoorde, moet de bijnaam “’t Chenske” ontstaan zijn omdat ergens op het grondstuk dat zij bewoonden, in het verleden de houtmijten stonden van een mandenvlechter. Een houtmijt werd in het plaatselijke dialect “chaans” genoemd met als verkleinwoord “chenske”. Opmerkingen hieromtrent zijn van harte welkom.

We gingen meestal langs het oranje-rood gemeniede poortje rechts van het huis binnen. Rechts van het paadje naar de deur waren enkel lage stallinkjes, waaronder ondermeer de hondskar zijn plaats had en waar een beetje verderop mijn ongehuwde oom later zijn chinchilla’s kweekte. Met enkele trapjes naar beneden kon je het huis in. Veruit de meeste tijd brachten we door in de kamer met de Leuvense stoof. Als je binnenkwam stond rechts van de deur de zetel van bompa (zoals we mijn grootvader noemden), daarachter in de hoek de Leuvense stoof met de reeds vernoemde rosse kat. In de muur rechts was een venster die uitzag op de tuin. Het uitzicht was enigszins eigenaardig aangezien het huis iets onder de grond lag, zodat de groenten in de tuin eigenlijk op ooghoogte stonden. Op de vensterbank stond de assenbak met miniatuursteentjes die verwees naar de plaatselijke steenbakkerij. In de overstaande muur stond een deur en links ervan de kast met eetservies. Tegen de linker muur bevond zich de eettafel en in de hoek was de deur waarlangs je naar de kelder moest. De kelder vond ik heel vernuftig. Mijn grootvader had hem zelf gemaakt van conisch gezaagde mergelblokken die in een tongewelf in elkaar pasten zonder metselwerk.

Een bezoek aan het ouderlijk huis van mijn vader was voor ons, kinderen, niet zo aangenaam. Mijn grootvader was voor ons wel een vriendelijke oude man, die hard in je vingers kneep als je hem de hand drukte, maar uiteraard wilden we liever met leeftijdgenootjes spelen en die hadden ze daar niet. Neen, we moesten koffie drinken uit blauwbeschilderde porseleinen kopjes met een scherpe rand en luisteren naar mijn tante die met schelle stem honderduit vertelde. Gelukkig waren er nog de zelfgebakken zachte wafels, die we vakkundig ontleedden en in de koffie sopten vooraleer ze tussen onze lippen verdwenen.

Na koffietijd kregen we van onze ouders de toestemming om naar onze neefjes en nichtjes te gaan die elders in het dorpje woonden. Dat was het moment suprème, want vooraleer te vertrekken mochten we van onze tante een keuze maken van snoepgoed uit de winkel. En van alle snoepjes was de zoute drop veruit het lekkerste! En dan renden we zo hard onze benen ons konden dragen “op” naar tant Anna of “oaf” naar mijn moeders broer in de Smisstraat.