Op 14 april 1878 moest Léon Joniaux, 23-jarige broer van Alidor Henri, toentertijd woonachtig te Leuven en officier bij de cavalerie, op het stadhuis gaan melden dat de dag ervoor, op 13 april 1878, zijn schoonzus Ida Jeanne Louise Marie Dumon was overleden (zie JSDocuments). Zij stierf samen met haar baby in het kinderbed. Alidor Henri (31 jaar) bleef achter met zijn drie kinderen: Marie (6 jaar), Charles (4 jaar) en de kleine Marthe (2 jaar). In de Dwarsstraat (Rue Traversière) nr 74 te Sint-Joost-ten-Noode , waar het gezin woonde (zie foto's), was het een komen en gaan van vrienden en kennissen, die hun medeleven wilden betuigen. Eén van deze kennissen was Mevr. Faber-Abley die enkele straten verderop woonde. Alidor Henri en Mevr. Faber-Ablay kenden elkaar reeds sinds langer. Zij was immers de nicht van niemand minder dan Luitenant-Generaal der Cavalerie Omer Ablay, Ere-Vleugeladjudant van Koning Leopold II, 1865-1867, Ere-Vleugeladjudant van Koning Leopold I, 1842-1865, Commandant van de Divisie Lichte Cavalerie, 1859-1866, Commandant van de 2de Cavaleriebrigade, 1851-1859, Commandant van het 2de Regiment Gidsen, 1848-1851 en Commandant van het 2de Regiment Kurassiers, 1842-1848. Haar vader Jules Gustave Ablay was de kapitein van het 2de regiment van de lansiers in Brussel. Gezien de functie van hoofdgeneesheer in het leger van Alidor Henri’s vader Henri François Joniaux en de functie van Léon Joniaux (Alidors broer) als kapitein bij de lansiers, waren deze families in het verleden reeds meermaals in contact gekomen. De echtgenoot van Mevr. Faber-Ablay (zij was geboren op 15 oktober 1944 in Mechelen als Maria Théresia Josephina Ablay) was de schrijver Jules Fréderic Faber, die sinds jaar en dag werkte aan zijn levensdroom namelijk het opstellen van de encyclopedie “Histoire du Théatre Français en Belgique”. Samen hadden zij één dochter.
Deze aristocratische dame stelde Alidor Henri voor om de zorg voor zijn kinderen op zich te nemen. De kinderen hadden nood aan een moederfiguur en aangezien zij zelf slechts één dochter had, moest dat toch kunnen. Voor de kinderen zou het bovendien goed zijn als zij een opvoeding kregen die paste bij de kinderen van een heer van stand. Alidor kon intussen verder werken en bovendien zou het een zeer praktische regeling zijn, gezien de zeer korte afstand tussen beide huizen. Daarom ging de jonge weduwenaar graag in op dit aanbod.
De eerlijkheid gebiedt ons te zeggen dat wij niet 100% zeker weten dat alle drie de kinderen zouden opgevangen werden door Mevr. Faber-Ablay. Wel weten we zéker dat de kleine Charles bij dit gezin in de kost ging. Meerdere argumenten pleiten er echter voor dat ook de zusjes met hem mee zouden zijn gegaan.
