23 maart 2010

Aflevering 106: Het verdict

Nagelbijtend had het publiek het resultaat van de beraadslaging van de gezworenen op de 21ste zitting van het proces tegen Mevr. Joniaux-Ablay op 2 februari 1895 afgewacht en nu was het zover. De voorzitter van de jury sprak met luider stem: “Op mijne eer en geweten voor God en voor de menschen, de verklaring der jury is:

Op de eerste vraag: Ja
Op de tweede vraag: Ja
Op de derde vraag: Ja
Op de vierde vraag: Ja
Op de vijfde vraag: Ja
Op de zesde vraag: Ja

Onmiddellijk ontstond er tumult in de zaal en hier en daar kon je zelfs een bravo horen roepen. De voorzitter eiste stilte onder de bedreiging anders de zaal te doen ontruimen. Daarna werd de verdachte, die tot dan toe onwetend was over de uitslag, de zaal binnengeleid en ook zij kreeg het verdict te horen. Bij het horen van het eerste antwoord, wist zij met zekerheid het resultaat van de volgende vragen. Even dreigde ze in elkaar te storten, maar ze vermande zich en toen de voorzitter vroeg of ze hier nog iets aan toe te voegen antwoordde ze stellig: “Neen.”

Over de strafmaat hoefde het Hof maar enkele minuten te beraadslagen en volgend vonnis werd uitgesproken:

“Maria Theresia Josephina Ablay wordt veroordeeld tot de doodstraf. De uitvoering moet plaats hebben op eene der openbare plaatsen van Antwerpen.”

De opschudding die dit vonnis in de stad teweeg bracht is nagenoeg onbeschrijfelijk “Uitbundig” is de uitdrukking die mogelijks het dichtst de realiteit benadert. Rond het justitiepaleis werd er gejuicht en gejubeld; handengeklap alom. Er werd zelfs gezongen: “Leve onze jury en ze mag er wezen…”. Een eventuele vrijspraak zou zeker onlusten tot gevolg gehad hebben. Overal werd druk gedebatteerd. De gendarmen sloten de omgeving rond het gebouw af en dan was het zover.
De gevangenenkar was in aantocht! Voorop 8 gendarmen te paard, rond de koets 6 en er achter 12 gendarmen te paard. Deze stoet werd gevolg door 15 gendarmen te voet. Het rijtuig werd omringd door de roepende en zingende meute. Ook advocaat Graux moest het in de tirades ontgelden. De gendarmes slaagden erin de woedende menigte uiteen te drijven en zich een weg te banen in de richting van de gevangenis van de Begijnenstraat die voor de gelegenheid volledig afgesloten was.

Een belangrijk hoofdstuk uit de geschiedenis van deze Joniaux naamgenoten kwam hier tot een einde, doch het einde van een hoofdstuk is meestal het begin van een nieuw. Dit geldt ook voor de Joniaux Saga. Wil je weten hoe het verder verliep met deze en andere naamgenoten, blijf dan onze blog volgen.

16 maart 2010

Aflevering 105: De jury beslist

Na drie slopende weken met dagelijkse zittingen kwam begin februari 1895 een eind aan het proces tegen Mevr. Joniaux-Ablay met een uitvoerig slotrekwisitorium van de advocaat-generaal, dat gevolgd werd door de pleitredes van beide advocaten van de verdediging. Als eerste van beide verdedigers nam Mr. Hendrickx het woord. Enige commotie ontstond toen hij op zeker ogenblik zijn betoog onderbrak en opschorting vroeg, gezien hij zich onwel voelde… Na 4 uur pauze kon de draad opnieuw opgepikt worden.

En dan op zaterdag 2 februari keek iedereen uit naar het slotpleidooi van Mr. Graux. Aan het eind hiervan hekelde hij de onmenselijke ondervraging door de onderzoeksrechter van Brussel aan Emilie Ablay. De gezondheidstoestand van de zus van Mevr. Joniaux-Ablay was tijdens de periode van voorhechtenis zienderogen achteruit gegaan en het advies van Dr. Vleminckx was ingewonnen om te zien of zij zelfs nog in staat was ondervraagd te worden. Tenslotte is zij overleden. Daarom besloot Mr. Graux zijn redevoering met de woorden: “Zij is gestorven met de verdediging harer zuster op de lippen. Hare stem, heeren gezwoornen, zult gij in uwe kamer van beraadslaging hooren weerklinken en daaraan zult gij gehoor geven.”

Hierna volgden de korte replieken van zowel de advocaat-generaal als van Mr. Graux en Mevr. Joniaux-Ablay werd gevraagd of zij nog iets toe te voegen had. Zij antwoordde negatief en om 13:00 u werden de verhandelingen gesloten. Nu werden de vragen die aan de jury voorgelegd werden, geformuleerd:

Vraag 1: Is Maria Theresia Ablay, echtgenote Alidor Henri Joniaux, hier beschuldigd, plichtig te Antwerpen in de maand Februari 1892 vrijwillig en met inzicht van den dood toe te brengen eenen manslag gepleegd te hebben op den persoon van Leonie Ablay?

Vraag 2: Is de misdaad hierboven vermeld, gepleegd bij middel van zelfstandigheden die den dood min of meer snel kunnen veroorzaken op welke wijze ook de zelfstandigheden toegediend zijn?

Vraag 3, 4, 5 en 6: Hetzelfde voor den dood van Jaak Vandenkerckhove en Alfred Ablay.

Tijdens de beraadslaging van de (mannelijke) gezworenen zag de Nijverheidslei, waar het gerechtsgebouw zich bevond, zwart van het volk. In de herbergen stond het publiek zo dicht op elkaar gepakt, dat je er onmogelijk nog in of uit kon geraken. Bij de ingang van het justitiepaleis hadden de 25 gendarmes te paard en de politie alle moeite van de wereld het volk onder controle te houden.

Na 20 minuten beraadslaging traden de gezworenen opnieuw de gerechtszaal binnen. Alles werd stil. De leden van het Hof namen plaats en de voorzitter gaf het woord aan de voorzitter van de jury. Met luider stem las hij de antwoorden af: “Op mijne eer en geweten voor God en voor de menschen; de verklaring der jury is:…”

10 maart 2010

Aflevering 104: Emoties

Je kan je wel voorstellen dat het proces tegen Mevr. Joniaux-Ablay in 1895 niet enkel een juridisch steekspel was tussen de meest vooraanstaande juristen van België in die tijd, het deed ook de gemoederen hoog oplaaien. In de eerste plaats natuurlijk voor de beklaagde en haar gezin. Elk bezoek dat zij haar brachten in de gevangenis ging gepaard met heftige emoties. In de gerechtszaal daarentegen leek de beschuldigde, behoudens een enkele uitzondering, de kalmte zelf, hetgeen, zoals tijdens vorige aflevering gemeld, door sommigen geïnterpreteerd werd als de koele onbewogenheid van een killer. Eén van die uitzonderingen, waarop de pathos het overwicht kreeg op de ratio, willen we je niet onthouden, zeker gezien de context van ons blogverhaal.

Regelmatig legde de voorzitter van het Hof de beklaagde het vuur aan de schenen wat betreft de financiële toestand van het gezin. Uitvoerig gaf Mevr. Joniaux-Ablay blijk van een perfecte dossierkennis en als een echte boekhoudster deed ze al de verrichtingen uit de doeken. Toen op zeker ogenblik haar man Alidor Henri Joniaux in het verhaal voor kwam, werd het haar even teveel. Ze barstte in tranen uit en bepleitte vurig: “Mijn man handelde eerlijk. Werden er fouten in mijn financieel beheer gedaan, dan eisch ik al de verantwoordelijkheid ervan voor mijzelve. Mijn man en mijne kinderen zijn schuldeloos en moet ik getroffen worden, dat, tenminste, hun naam onbevlekt blijve!”

Nu, Alidor Henri’s naam kon niet meer onbevlekt blijven. Al was het maar omwille van het feit dat iedereen over de hele wereld sprak over de geruchtmakende affaire Joniaux en niet Ablay. In de aanloop naar het proces had hij reeds zijn ontslag ingediend als hoofdingenieur van de Dienst Bruggen en Wegen voor de provincie Antwerpen. In eerste instantie werd dat geweigerd, doch later zag men in dat hij door de gebeurtenissen zijn beroep niet meer op een serene wijze kon uitoefenen. Een althans voorlopig ontslag drong zich dan ook op. Toch mag het zeer verwonderlijk zijn, dat hijzelf, behoudens een enkele allusie in een krant in het verre buitenland, zelden als mogelijke dader of zelfs medeplichtige in een complot werd gezien door de buitenwereld. Dit geeft ons reden om te vermoeden dat hij naar voor gekomen moet zijn als een zeer integer man met onberispelijk karakter.

Nochtans moet het immens moeilijk zijn geweest om zich nog in de stad voort te bewegen te midden van mensen die je bleven aanstaren en zelfs niet te beroerd waren om hem en zijn echtgenote verwijten te maken. Elke keer als het rijtuig met de beklaagde de gevangenis verliet om naar het justitiepaleis geleid te worden, werden gendarmes te paard voorzien en op zeker ogenblik moest het volk in de straat van het gerechtsgebouw hardhandig teruggedrongen worden. Er werden grappen verzonnen die verwezen naar de affaire en in de kroegen werden de zeemansliederen afgewisseld door liedjes met niets verhullende namen als: “Schoon zangstuk over de geheimzinnige zaak Antwerpen, Gent, Leuven, opgesteld tot exempel voor oud en jong.” , “Gezang over de Drijdubbele Moord door Vergiftiging gepleegd door Mme Joniaux op haar eigen Zuster, Broeder en Oom.” en “Nieuw Kluchtlied: Hoog Vliegen en Laag Vallen”.

We hebben in onze zoektocht de hand kunnen leggen op de tekst van 4 van deze volksliederen (er zijn er nog meer). Ze zijn een beknopte weergave van de voorafgaande feiten, al dan niet correct, in meerdere (vaak slecht rijmende) strofen en men verhult hierbij de persoonlijke verontwaardiging geenszins. Zelfs voor het proces beëindigd was, hadden de opstellers ervan hun mening al klaar en ze schuwden het niet deze aan hun likkebaardende publiek ten toon te spreiden. Gemeenschappelijk van aard is tevens het slotrefrein of de slotstrofe, waarvan we hier enkele exemplaren publiceren.

“Daar is een da… reeds gehouden aan,
En zit nu in ’t gevang te zuchten,
Ze overweegt nu in getraan,
De boosheid, als zij ’t heeft gedaan.
Wilt steeds uw evenmensch beminnen,
En vermijdt toch alle zucht naar ’t geld,
Anders verliest gij ook uw zinnen
En wordt door duivelsraad gekweld.”

“Dees vrouw zoo slecht bedeeld,
Stel ik hier tot voorbeeld
Van elken dwazen mensch
Die stelt zijn zin en wensch
Op pracht en op ’t spel, zo het meermaals gebeurd (sic)
Want dit wordt ten allen tijd afgekeurd,
En leidt ons in ’t verdriet,
Lijk ’t hier weer is geschied,
Bij dees dame Joniaux?
Zend ze naar den Congo.”

“Lijk ons Madam Ch… ! (nvdr: men kon blijkbaar de naam Joniaux niet spellen!)
Zend ze naar Monaco!
Of wel te Spa, naar ’t bad!
De schand van onze stad.”

De schande van de stad, de schande van het land! Kan je je voorstellen welk impact dit gehad moet hebben op haar stiefzoon Charles (Karel) Joniaux, een jongeman van 18 jaar, weliswaar geboren uit de schoot van een andere moeder, doch die van in zijn kleutertijd opgevangen en opgevoed werd door de vrouw die nu onderwerp was van spot en nijd en beschuldigd werd van afschuwelijke misdaden? De druk op zijn jonge schouders (en op die van zijn zussen) moet onmenselijk groot zijn geweest en een enkele keer kon ook hij zich niet inhouden en hij verhief zijn stem tijdens het proces op een moment dat hem geen vraag gesteld werd. De voorzitter van het Hof maande hem aan tot kalmte, zo niet moest hij de zaal verlaten. Dit dreigement legde hem het zwijgen op, maar in zijn binnenste barstte een vulkaan aan emoties uit…

03 maart 2010

Aflevering 103: Het motief

Tijdens het proces tegen Mevr. Joniaux-Ablay begin 1895, waarin ze beschuldigd werd van drievoudige moord door vergiftiging, bleek de aanwezigheid van een lichaamsvreemde stof enkel in het geval van het laatste slachtoffer, Alfred Ablay, aangetoond te kunnen worden. Er waren restanten van morfine aangetroffen.

Het lijkt ons misschien wat vreemd, maar in die dagen was het gebruik van morfine meer gangbaar. Het werd toegepast als pijnstiller en antidepressivum. Het was niet vrij, maar enkel op voorschrift van een geneesheer, verkrijgbaar. Mevr. Joniaux-Ablay bleek een grote hoeveelheid morfine aangekocht te hebben met diverse voorschriften van verscheidene artsen. Tevens bleken een aantal van die voorschriften vervalst. Haar hiermee confronterend, antwoordde de beschuldigde dat het ofwel voor persoonlijk gebruik was, dan wel bestemd was voor familieleden zoals haar echtgenoot en haar zus Emilie. Daarenboven zou Alfred ook zelf morfine gebruikt hebben. Er waren getuigen die dit bevestigden, maar ook die dit ontkenden. In elk geval maakte de morfineaankopen haar toch wel verdacht.

Een belangrijk deel van het proces bestond in het aantonen van het motief voor de drievoudige moord. Onderzoeksrechter Hayoit had een voor de hand liggend motief gevonden: chronisch geldgebrek. Met de moorden zou de beklaagde de financiële putten, die ze steeds opnieuw groef, kunnen aanvullen. Bij het eerste slachtoffer, de zus van Mevr. Joniaux-Ablay, was een som van 100.000 frank uitgekeerd. Daarvan zou, zoals we in blogaflevering 68 vermeldden, 30.000 frank gebruikt zijn om de bruiloft van dochter Jeanne Faber met Oscar Mertens te bekostigen en 40.000 frank werd aan zus Emilie gegeven. Het resterend bedrag zou, aldus de beschuldigde, aangewend zijn om de “geheime” schulden van haar moeder af te betalen. Gedurende het hele proces heeft ze blijven weigeren de grond van dit geheim te onthullen om aldus familieschande te vermijden. Deze hardnekkigheid werd door de pers vaak geïnterpreteerd als arrogantie en werd gezien als uiting van haar hautain gedrag, hetgeen haar zeker niet geliefd maakte bij het grote publiek. Officieel was dus de 30.000 frank zoek.

Na het overlijden van Jaak Vandenkerckhove, zo werd uit de doeken gedaan door de magistraat, had Mevr. Joniaux-Ablay gehoopt een groot bedrag te erven, doch dit werd gedwarsboomd door het testament dat Jaak intussen had laten maken op naam van zijn vriendin en diens zoontje. De beschuldigde repliceerde hierop dat, zelfs indien er geen testament zou zijn geweest, de erfenis sowieso in eerste instantie naar de zus van het slachtoffer, Hortense Vandenkerckhove (haar schoonmoeder) gegaan zijn. Pas in tweede instantie zou er dan gedeeld kunnen worden tussen Leon, Hector en Alidor Henri. Dus in het meest gunstige geval zou de erfenis slechts een fractie bedragen van de totale eigendom.

Bij de levensverzekering die Alfred Ablay afsloot bij Gresham liep alles mis, want het was op verzoek van de directeur ervan dat het onderzoek gestart was. Een persoonlijke opmerking die wij, blogschrijvers, hierbij maken, is de volgende. Alfred had zelf in Parijs al een verzekering afgesloten; hij had de papieren op zak. Toch overtuigde Mevr. Joniaux-Ablay hem met een concurrerende firma in zee te gaan aangezien die voordeliger zou zijn. Als (en we leggen de klemtoon op “als”) zij de intentie had om haar broer te vermoorden, dan maakte die meer voordelige regeling niets uit. Integendeel, bij een eventueel vermoeden van misdaad zou het veel minder in haar richting wijzen als de verzekering inderdaad door Alfred alleen afgesloten zou zijn en niet door inmenging van zijn zus, die bij overlijden de begunstigde was.

In elk geval: de hele financiële toestand van het gezin werd door experts uitgeplozen en in extenso ten toon gespreid. Alidor Henri, zijn zoon Charles (Karel) en zijn beide dochters moesten het met lede ogen aanzien. Zij konden enkel hun echtgenote en stiefmoeder mentaal ondersteunen en hopen dat de verdediging die ze samen opbouwden stevig genoeg zou zijn om de nimmer aflatende aanvallen te weerstaan. In de beklaagdenbank weerde Maria Theresia zich als een gewonde leeuwin die wordt belaagd door een roedel hyenahonden.