Op zekere dag was een oom van mij, naar ik meen Albert (Mathijs Joseph), nog kind zijnde, brandhout aan het hakken. Door een klein foutje hakte hij zich echter zelf het topje van één van zijn vingers af. Uiteraard luid wenend holde hij naar zijn vader met het stukje van zijn vinger in zijn andere hand. Heel kalm nam mijn grootvader het topje, plaatste dat op de vinger, draaide er een proper doekje rond en klaar was kees. Wonder boven wonder infecteerde het niet en het groeide er ook opnieuw aan. No nonsense!
Een ander verhaal illustreert eveneens deze manier van aanpakken. Na de oorlog moest er in Kesselt veel puin geruimd worden. Het dorpje had enorm te lijden gehad onder de bombardementen. Er was immers hevig gevochten om het strategische Albertkanaal. Gezien de diepe ligging (zie ook enkele afleveringen geleden) was het moeilijk deze linie in te nemen, tenzij ondersteund door zwaar geschut. In het dorp stonden dan ook niet veel gebouwen overeind (uitzondering was het ouderlijk huis van mijn moeder). Iedereen stak de handen uit de mouwen om te werken aan de heropbouw. Ook mijn vader deed zijn best. Met een pikhouweel hakte hij in op het puin. Maar hard dat dat was! De vonken sprongen eruit, maar erg vorderen deed hij niet. Dan maar beginnen te graven. Groot was zijn ontsteltenis toen hij merkte dat hij een nog niet ontpofte vliegtuigbom van 250 kg te lijf was gegaan! Heden ten dage zouden de werkzaamheden onmiddellijk stilgelegd worden. De ontmijningsdiensten zouden verwittigd worden en de buurt zou ontruimd worden. Mijn grootvader echter liet achter in de tuin eenvoudig een gat van 2 meter diep graven en met vereende krachten werd de bom daar “levend” begraven.
Af en toe kwam mijn grootvader naar ons thuis in Hamont op bezoek. Met kermis. Hij bleef dan enkele dagen logeren, want 50 km was een hele reis (in die tijd en voor zijn leeftijd)! Op bijgevoegde foto zie je hem in 1961 samen met ons op de kermis in Hamont. Dat kleine jongetje ben ik!
Bompa bleek een taaie kerel te zijn. Op zijn tachtigste liep hij een bovenbeenbreuk op en als toemaat kreeg hij “fleuris” (pleuritis). Voor een aantal ouderlingen betekent zoiets vaak het einde. Antoon Evrard spartelde ook hier weer door en bleek nog meer dan tien jaar voor de boeg te hebben.
In 1976, op een leeftijd van 91 jaar, moest ook hij echter de strijd opgeven. Het laatste wat ik me van hem herinner, is dat mijn tante mij vroeg hem te helpen omdraaien in zijn ziekbed. Ik was 17 jaar oud en voelde mij erg onbehaaglijk. Hoe oud mijn grootvader ook was, ik had hem nooit als hulpbehoevend gezien en nu moest hij zich laten helpen door een tiener om zich gewoon om te draaien in bed. Ik had nog veel te leren.
Op woensdag 18 augustus 1976 overleed Antoon Evrard Joniaux, mijn grootvader, in Kesselt (zie JSDocuments).