26 januari 2010

Aflevering 098: In het kielzog van Jack The Ripper

Het gezin Joniaux-Ablay stond in het voorjaar 1894 onder zware psycho- emotionele druk. Op basis van de niet aflatende geruchten was er immers een gerechtelijk onderzoek ingesteld naar het overlijden van drie verwanten in 1892, 1893 en 1894 in hun huis aan de Nerviërsstraat 33 te Antwerpen. De bestuurder van de verzekeringsmaatschappij Gresham had, na een gesprek met Dhr. en Mevr. Joniaux-Ablay, aan de procureur zijn beschuldigende vermoedens geuit, zodat Dhr. Hayoit als onderzoeksrechter zijn tanden in de zaak zette.

En deze laatste nam zijn taak zeer ernstig. Hij trommelde aanstonds een klein leger gerenommeerde medische en scheikundige deskundigen op en liet het huis aan de Nerviërstraat 24 uur op 24 in de gaten houden door agenten in burger. Elk komen en gaan werd geregistreerd en kon eventueel van belang zijn in het onderzoek.

Dit verontrustende thrillerklimaat moet alle leden van het gezin bij de keel gegrepen hebben. In de eerste plaats ging de aandacht naar Mevr. Joniaux-Ablay, maar natuurlijk waren ook echtgenoot Alidor Henri Joniaux en de kinderen onderwerp van het onderzoek. De dochter van Marie Therese uit haar vorige huwelijk met Dhr. Fréderik Faber, Jeanne Faber, was intussen gehuwd, maar de drie kinderen van Alidor Henri uit zijn huwelijk met zijn inmiddels overleden echtgenote Ida Dumon, allen rond de 20 jaar en jonger, waren nog inwonend. Minstens één van beide dochters was op internaat Sacré-Coeur in het Luikse Bois l’Evêque. Dit kwamen we te weten uit de onderzoeken van Dhr. Hayoit. Het gezin had daar volgens de speurder nog een openstaande rekening van kostgeld. Aanvankelijk werden we door een foto die we vonden , genomen in de gymnastiekzaal van het internaat, op een verkeerd been gezet. Gezien er op de foto (hier bijgevoegd) turnringen te zien zijn en wij vermoedden dat meisjes in die tijd deze discipline niet deden, gingen we er van uit de het zoon Charles was die hier school liep. Dit was voor ons van belang, want mogelijks konden we via deze weg meer informatie over zijn levensloop bekomen. Toch bleek weldra dat de school van Bois l’Evêque wel degelijk een meisjesinternaat was (zie ook de naaimachines), zodat verdere exploratie van deze denkpiste voor ons minder interessant werd.

Op het hele gezin moet de druk vanuit de publieke opinie enorm geweest zijn. Slechts een zestal jaar voordien, in het najaar van 1888, stond heel Londen, Groot-Brittannië en zelfs de rest van de wereld in rep en roer na een serie afgrijselijke moorden waarvan de dader nooit gevonden werd, maar die de naam Jack The Ripper toegewezen kreeg. Het belang ervan in de misdaadgeschiedenis mag niet onderschat worden. Het was uiteraard niet de eerste seriemoord , maar wel de misdaad die als eerste door toedoen van de media een wereldwijde bekendheid kreeg. Zeker de conclusie van inspecteur Frederic Abberline, dat de dader moest gezocht worden in hogere kringen, gaf aanleiding tot de wildste speculaties. Zelfs op dit ogenblik wijzen de meeste denkpistes nog in de richting van het Brits koninklijk huis en de vrijmetselaarsloge. De onderzoekers zouden van hogerhand de mond zijn gesnoerd en de lagere sociale klasse zag het politieonderzoek dan ook als een spel blindemannetje (zie prent uit het tijdschrift Punch van 22 september 1888).

En blindemannetje was nu niet bepaald het spelletje dat onderzoeksrechter Dhr. Hayoit van plan was te spelen. Ook al waren de vermoedelijke slachtoffers in dit geval niet gruwelijk verminkt en kwamen ze zelf niet uit de lagere klasse (zoals dat in Londen het geval was geweest), toch zorgde de idee van een vrouwelijke gifmengster uit de “high society”, die zo koelbloedig en berekend zou zijn geweest dat ze leden uit haar familiekring vermoord zou hebben voor persoonlijk gewin ervoor, dat hij, Dhr. Hayoit, zich geen blunders kon veroorloven, wilde hij niet figuurlijk afgeslacht worden door de media die zich stilaan als gieren rond een kadaver begonnen te verzamelen…






20 januari 2010

Aflevering 097: Verdachte omstandigheden

Marie Thérese Ablay, echtgenote van Alidor Henri Joniaux, had Dhr. Dereine verzocht Mej. Roguès, partner van Alfred Ablay, op de hoogte te stellen van het overlijden van deze laatste. Dhr. Dereine meldde zich bij Mevr. Georges, de conciërge van Alfred Ablay. Samen bedachten ze de minst kwetsende manier om het slechte nieuws te melden aan de zieke Mej. Roguès. Er werd beslist dat Dhr. Dereine haar voorzichtig op de hoogte zou brengen en hij beklom de trap naar haar kamer.

Na een kwartiertje kwam hij in zeven haasten de trap afgehold. “Mevr. Georges, haast u, Mej. Roguès heeft zichzelf vergeven!” Mevr. Georges repte zich naar boven en zag inderdaad de dame op de grond liggen met een pillendoosje naast zich. Met dit doosje haastte ze zich naar de dichtstbijzijnde apotheker die onmiddellijk een antidotum gaf. Dit, samen met de goede zorgen van een intussen bijgeroepen arts, zorgde ervoor dat Mej. Roguès haar wanhoopsdaad overleefde. Mevr. Georges bracht de ouders van Mej. Roguès, die in Blois woonden, op de hoogte van de gebeurtenissen. Zij reisden naar Parijs en bleven voor haar zorgen in haar appartement in de rue Dulong, iets ten noordoosten van de Arc de Triomphe. Ook tegen hen bleef Mej. Roguès het voorgevoel dat zij had bij Alfreds vertrek naar Antwerpen herhalen. Dit was al het derde overlijden in toch wel mysterieuze omstandigheden ten huize van de familie Joniaux-Ablay.

Ook de verzekeringsmaatschappij Gresham, die de levensverzekering met Alfred Ablay afgesloten had, kwam deze geruchten ter ore en vond de gebeurtenissen op zijn minst bizar. Dhr. Perrin, bestuurder van Gresham, was enkele dagen na het overlijden van Alfred op de hoogte gesteld van zijn toch wel plotse heengaan en besloot Dhr. en Mevr. Joniaux-Ablay persoonlijk op te zoeken. Zijn gesprek met vooral Maria Therese was niet van die aard dat alle misverstanden de wereld uit geholpen waren, zodat hij op 13 maart 1894 wendde tot de procureur des Konings, de heer Berré. Deze op zijn beurt vond de bezwarende vermoedens ernstig genoeg om de zaak door te spelen aan de procureur-generaal. Er werd besloten een onderzoek te starten. Dit werd toevertrouwd aan onderzoeksrechter Dhr. Hayoit en aan substituut Dhr. Eeman.

Dhr. Hayoit beet zich onmiddellijk als een pitbull vast in de zaak. Om te beginnen bracht hij een bezoek aan de echtelingen Joniaux-Ablay en ondervroeg beiden. Vervolgens liet hij de lijken van Leonie Ablay in Buizingen, Jaak Vandenkerckhove in Gent en Alfred Ablay in Lubbeek opgraven. De artsen De Baisseux, Van Vyve en De Visscher werden met het onderzoek belast. De ingewanden van de op dat ogenblik vermoedelijke slachtoffers werden voor onderzoek bezorgd aan Dhr. Bruylants, professor te Leuven, en aan Dhr. Herman Druyts, scheikundige te Antwerpen.

De familie Joniaux-Ablay beleefden uiterst stresserende tijden. Zouden de onderzoeken hun onschuld aantonen of… kon het nog erger?

12 januari 2010

Aflevering 096: Een derde lijk!

Alfred Ablay, schoonbroer van Alidor Henri Joniaux, voelde zich enige tijd na zijn aankomst in Antwerpen in februari 1894, niet zo best en bezocht op 5 maart Dr. Max in Brussel. Deze kon enkel wat huidirritatie vaststellen en concludeerde dat het een stoornis van maag en lever betrof, waarvoor hij een elixir voorschreef.

Na een bezoek aan hun zus Emilie Ablay, die enkele straten verderop woonde, vertrokken Alfred en Marie Therese opnieuw naar Antwerpen. Alfred had niets gegeten en enkel het voorgeschreven elixir gebruikt. Thuisgekomen (in de Nerviërsstraat) begaf hij zich rond 21.00 naar bed klagend over ongesteldheid en duizeligheid. Rond middernacht ging zijn zus nog eens op zijn kamer kijken of hij zijn lamp niet vergeten te doven was. Alfred voelde zich zeer onwel en was blij dat hij te bed lag.

’s Morgens rond 8.00 u ging Maria Therese kijken of zij haar broer een plezier kon doen met een ontbijt, maar zij trof hem buiten bewustzijn aan. Aanstonds ontbood zij dokter Willems…

Marie Roguès, de vriendin van Alfred Ablay, was helemaal niet blij geweest met het plan van haar vriend om een verzekering af te sluiten ten voordele van Mevr. Joniaux-Ablay. Zij had immers ook gehoord van de geruchten en ook zij had zo haar bedenkingen. Nochtans waren de betrekkingen tussen haar en Dhr. En Mevr. Joniaux-Ablay altijd positief geweest. Zo vergat Mevr. Joniaux nooit haar een bloementuil op te sturen voor haar naamdag en soms kwam ze zelfs op visite.

Op het ogenblik dat Alfred Ablay naar Antwerpen vertrok was Marie Roguès ziek en moest het bed houden. Daarom klopte hij alvorens Parijs te verlaten aan bij conciërge Mevr. Georges en zei haar: “Madame Georges, ik moet naar België voor eenige dagen. Ik bid u, zorg wel voor Mej. Roguès, ik zal spoedig terug zijn. Indien haar toestand mocht verergeren, neem dan uit de lade der kast die in de slaapkamer staat, papier en de gereed geschreven enveloppen en zend ze aan het geschreven adres te Antwerpen. Wat mij betreft, ik zal alle dagen schrijven. Wanneer mijne brieven toekomen, klop dan op de deur. Indien Marie niet zou antwoorden, dan is’t dat hare ziekte verergerd is. Doe in dit geval de deur open en help ze. Ik vertrek, doch ik ben niet gerust.”

Alfred Ablay hield woord. Dagelijks schreef hij een brief aan zijn gezellin. De laatste brief dagtekende “zondag 4 maart” en bevatte volgende woorden: “Mijn lieve Marie, ik kan dezen dag niet laten voorbij gaan zonder mij met u eenige minuten bezig gehouden te hebben…. (…) Ik zal den 8ste of de 9de ten laatste terug te Parijs zijn.”

De volgende dagen ontving Mej. Roguès geen brief hetgeen haar ten zeerste ontmoedigde. Ze deed meerder keren navraag bij de conciërge, maar Mevr. Georges kon haar geen positief nieuws geven. Marie Roguès werd wanhopig en riep uit:” Ah! In dat geval is hij dood!” Ze barstte in tranen uit en Mevr. Georges trachtte haar te kalmeren. ’s Vrijdags bood zich in de namiddag een heer, Dereine genaamd, aan bij Mevr. Georges. Hij had slecht nieuws… Alfred Ablay was op 6 maart overleden!

05 januari 2010

Aflevering 095: Alfred Ablay

Na de dood van Leonie Ablay en Jaak Vandenkerckhove kwamen geruchten op gang als zouden Alidor Henri Joniaux en zijn vrouw ergens de hand hebben gehad in beider overlijdens. Alfred Ablay , broer van Maria Theresia, had hen er attent opgemaakt dat sommige beschuldigingen zelfs afkomstig waren van nauwe familieleden. De gemoederen raakten verhit, doch alles bleef uiteindelijk bij het oude.

Deze aflevering willen we wijden aan de persoon van Alfred Ablay. We spraken reeds over hem in aflevering 065 en het is vast en zeker nuttig deze even te herlezen alvorens verder te gaan.

Alfred Ablay was oud-officier bij de ruiterij, doch hij had in 1874 ontslag moeten geven ten gevolge van door hem gemaakte schulden. Hij verliet het land en verbleef gedurende enkele jaren in Zuid-Amerika. Daarna bekleedde hij verschillende baantjes als bediende of kassier-boekhouder in België, Algerije en tenslotte Parijs. Zijn financiële toestand was lamentabel en hij werd regelmatig van geld voorzien door zijn schoonmoeder Mevr. Meskens, zijn zoon George en zijn zus Maria Theresia, echtgenote van Alidor Henri Joniaux.

Eind 1893- begin 1894 werden de levensomstandigheden van Alfred Ablay meer en meer precair. Hij was reeds werkeloos sinds 1 december 1892 en moest dringend aan geld zien te komen. Daarom stapte hij in Parijs, op aanraden van een vriend, naar de verzekeringsmaatschappij Compagnie des Assurances Génerales met volgend verzoek. Hij wilde een levensverzekering van 100.000 frank afsluiten ten gunste van zijn zus Maria Theresia. In ruil hiervoor zou zij de premies voor deze verzekering betalen en aan hem een jaargeld uitkeren. De verzekeringsmaatschappij stemde in met deze constructie en na het gebruikelijke geneeskundig onderzoek ondergaan te hebben, vertrok hij op 1 februari 1894 met de papieren op zak naar Antwerpen. Zodra de eerste premie zou betaald zijn, zou de regeling van kracht zijn. Door de zaken op deze wijze te regelen, zouden de (stief-)kinderen van het gezin Joniaux-Ablay, na een eventueel overlijden van Alfred enigszins vergoed worden voor de financiële schade die zij ondervonden door de veelvuldig geldelijk tegemoetkomingen die hun moeder deed voor haar broer.

In principe was Maria Theresia wel akkoord met de regeling, maar ze vond de som van 1.308,05 frank voor de driemaandelijkse premie te hoog, zodat ze Alfred voorstelde met de verzekeringsmaatschappij Gresham in zee te gaan. Zij had sinds januari bij deze maatschappij inlichtingen ingewonnen en had betere voorwaarden weten te bedingen. Om eenzelfde som van 100.000 frank uitbetaald te krijgen bij overlijden moest slechts 821,60 frank per kwartaal betaald worden gedurende de eerste jaren en pas daarna zou dit bedrag verhoogd worden.

Op 6 februari 1894 ondergaat Alfred ook voor deze maatschappij het obligate geneeskundig onderzoek en op 9 februari werd de overeenkomst door alle partijen ondertekend.

Op 5 maart 1894, zo schreef Alfred aan zijn vriendin Marie Roguès, die in Parijs was achtergebleven, vertrok hij naar Brussel. Daar wilde hij enerzijds Dhr. Depuich spreken in verband met een openstaande betrekking die Alidor Henri Joniaux, zijn schoonbroer, voor hem had geregeld. Anderzijds had hij afspraak met zijn advocaat om een overeenkomst met zijn zoon te onderhandelen betreffende zijn pensioen. ’s Namiddag consulteerde hij met zijn zus Marie Therese Dr. Max omdat hij zich reeds enige tijd wat ziek voelde…