16 juni 2009

Aflevering 016: Jean Baptiste Joniaux

Jean Baptiste Joniaux werd op 28 juli 1816 geboren te Corroy-le-Grand als oudste kind en enige zoon van Jean François Joniaux (°2 april 1792, +6 december 1858, landbouwer en schoenmaker) en Marie Cathérine Blanpain (°25 oktober 1796 te Corroy-le-Grand, +8 maart 1871 te Red River Township). Hij had vier jongere zussen: Anasthasie, Rosalie (die slechts een half jaar oud werd), Marie-Florence en Rosalie (zelfde naam als haar overleden zus).

Jean Baptiste was de kleinzoon van Jean Georges Joniaux (°25 december 1767 te Nil, +3 augustus 1849, landbouwer) en Anne Joseph Fontaine (°13 december 1791, +28 maart 1842). Zijn overgrootouders waren Gilles Joniaux (°1726 te Biez, +13 mei 1801) en Françoise Mélin (°te Braine l’Alleud). Zijn betovergrootouders zouden zijn: Gilles Joseph Joniaux en Françoise Ghwenne.

Namen, data, plaatsen… Het belangrijkste is: Jean Baptiste Joniaux woonde in Waals Brabant in de 2de helft van de 19de eeuw en evenals medestreekgenoten had hij het als landbouwer moeilijk om de eindjes aan elkaar te knopen. Hij was op 8 mei 1844 gehuwd met Anne Josephine Delongueville (°15 december 1818 te Chaumont). Waarschijnlijk had hij zijn huwelijksleven toch anders voorgesteld. Er moest eten op de plank komen voor hen zelf, maar vooral ook voor hun drie kinderen die tussen 1845 en 1854 geboren waren: Théophile, Elise en Jean Baptiste. Een aantal mislukte oogsten in de beginjaren van hun huwelijk, hadden het gezin onmiddellijk op rantsoen gezet. Daarenboven waren er die verschrikkelijke ziekten waarvan ze al gehoord hadden en die voor velen een onontkomelijke dood betekenden. Wanneer de kinderen ’s avonds op hun strozak te slapen lagen, probeerden Jean Baptiste (vader) en zijn vrouw Anne Josephine een oplossing te vinden voor hun steeds nijpender probleem. En op één van die avonden moet Jean Baptiste bij een flikkerende kaars of olielamp aan zijn vrouw voorgesteld hebben: “En als we eens naar Amerika vertrokken? Ik heb gehoord dat het daar heel wat beter is. In het dorp zeiden ze…”