Zelfde periode. Mijn vader, mijn oom (ik denk nonk Georges) en ik rijden in het donker ergens naar toe. Pa is gehaast. We stappen uit. De mannen lopen op een drafje naar een gebouw. Ik loop zo hard ik kan om ze te volgen. We lopen door een gang. Aan het eind waar de gang een haakse draai naar rechts maakt, is er recht voor ons een klein luikje in de muur, zoals op het postkantoor. Links ervan staat een bel. Pa drukt op de bel en ze werkt. Ik hoor het gerinkel. Er komt een zuster aan. “We komen bloed halen.” Mijn grootmoeder had dringend bloed nodig en om de één of andere reden zat het ziekenhuis van Tongeren zonder (die bloedgroep). Het beste was dat mijn vader het zelf maar ging halen in Bilzen. Dat moet met onze eerste auto zijn geweest: een Simca 1000. De zuster vult wat papieren in en opnieuw haasten we ons naar de auto.
23 April 1994, 23:30 u. Ik ben 35 jaar. Ik rijd aan 150 km per uur op een secundaire weg richting Genk. Naast mij zit mijn oudste zus Mia. Achter in de auto zit mijn vader op zijn knieën. Mijn moeder ligt buiten bewustzijn op de achterbank. Een kwartier geleden voelde ik haar in coma gaan terwijl ik ze naar de auto droeg. Naar alle waarschijnlijkheid heeft ze een hersenbloeding. De hulpdiensten bellen had geen zin: in de naburige ziekenhuizen was er geen neurochirurg. Men zou haar enkel hebben kunnen stabiliseren en dan moesten ze nog naar Genk. Ik rijd snel, maar zeer voorzichtig, met vier knipperlichten aan. Het kleinste ongeval betekent de dood van mijn moeder, maar ik ben niet zenuwachtig. Ik heb dit al ooit gedaan. In 1963. Samen met mijn vader en mijn oom. Achteraf heb ik het nog honderden keren herhaald. In mijn hoofd. Ooit is het mijn beurt om dit te doen. Op 23 april 1994 was het mijn beurt.
Mijn moeder heeft het overleefd – en hoe. Zonder restletsels is ze de heelkundige ingreep te boven gekomen en nu, anno 2008, maakt ze zich klaar om haar 85ste verjaardag te vieren. Mijn grootmoeder Catharina Jeurissen, echtgenote van Antoon Evrard Joniaux, heeft het niet gehaald. Zij stierf op 28 november 1963, op 66-jarige leeftijd, in het ziekenhuis van Tongeren (herinneringsprentje op JSDocumants).
Buiten deze enkele beelden die ik van mijn grootmoeder heb overgehouden, herinner ik mij eigenlijk niets meer van haar. We woonden zo’n 50 km bij hen vandaan en kwamen er om de paar weken op visite. Toch heb ik als kind met veel fantasie, na haar overlijden altijd haar aanwezigheid gevoeld in de kamer waar mijn grootvader bij de Leuvense stoof zijn sigaren rookte. En die aanwezigheid werd geconcretiseerd door de rosse kat die lag te spinnen achter of zelfs in de schuiflade van de stoof. Af en toe deed ze langzaam haar ogen op een spleetje open en zag dat alles onder controle was. Moeder (zoals iedereen mijn grootmoeder noemde) hield een oogje in het zeil.