Louis Joseph Joniaux, zoon van Charles Felix Joniaux (1825-1909) en kleinzoon van Jacques Joniaux (1794-1878) werd dus, zoals in vorige aflevering gezegd, geboren op 27 juni 1858 in Piétrain. Op 4 november 1893 huwde hij in Marilles Marie Virginie Léonie Renquin die op 6 december 1862 geboren was in Noduwez. Zij kregen op 31 december 1903 een zoon met de naam Hubert Louis Joniaux. Voor zover we weten bleef hij enig kind. Beide ouders zouden het einde van de Tweede Wereldoorlog, die het leven van hun zoon en kleinzoon onmiskenbaar zou tekenen (zie verder in deze aflevering), net niet meer halen. Moeder Marie Virginie Renquin overleed op 10 maart 1944. Vader Louis Joseph Joniaux volgde haar na twee maanden op 20 mei 1944.
Hubert Louis Joniaux huwde op 2 februari 1929 Alice Landrain. Zij kregen drie kinderen. De eerste dochter, Simone, die geboren werd in 1930 stierf spoedig. Zij werd in 1932 opgevolgd door Jean en in 1940, vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, door Fernande.
De Tweede Wereldoorlog joeg niet alleen een groot aantal mensen de dood in; vele overlevenden droegen en dragen de psychologische littekens ervan mee voor de rest van hun leven. Jean Joniaux (zie ook aflevering 013), zoon van Hubert Joniaux, herinnert zich nog, als was het gisteren, de dag van 12 mei 1940 – twee dagen na de inval van de Duitsers in België en Nederland (zie ook aflevering 046). Hij was toen 8 jaar. Zijn vader vertrok die dag samen met de broer van zijn moeder, die dokter was, met de fiets richting Frankrijk. Zij waren niet gemobiliseerd, maar wilden hun steentje bijdragen aan de bescherming van het land en hun inwoners. Bange dagen braken aan voor het gezin Joniaux dat in de vallei van de Kleine Gete woonde in Orp. (De Gete wordt in het Frans Gette genoemd en in het Waals is het “Jauche”. Het hedendaagse Orp-le-Grand is een deelgemeente van Orp-Jauche.) De eerste gevechten tussen de ter hulp gesnelde Franse troepen en het oprukkende Duitse leger kostten de Franse manschappen op 2 dagen tijd het leven aan 162 officieren, onderofficieren en soldaten, waarvan 61 alleen al op het grondgebied van wat nu Orp-Jauche is. Tanks en zwaar geschut werden aan beide zijden ingezet. Met laagvliegende vliegtuigen werden de dorpen onder vuur genomen en het marktplein van Orp-le-Grand werd gebombardeerd. Ondanks hevig verzet moest het Franse leger zich in de vooravond van 13 mei terugtrekken, een aanzienlijke hoeveelheid zwaar materieel achterlatend. Het eerste pantsergevecht van de Tweede Wereldoorlog was voorbij. De Duitsers namen het gebied in.
Een maand na de invasie kwam Jeans oom opnieuw in Orp aan. Hij had geen goed nieuws. Hij was zijn schoonbroer uit het oog verloren en had hem niet meer kunnen terugvinden. Richting Franse kust was alles zo hectisch. Mensen vluchtten, soldaten rukten op, vrijwilligers zochten een onderkomen in één of ander bataljon… Was Hubert in veiligheid? Was hij gevangen genomen of, nog erger, was hij misschien gedood? Alice Joniaux-Landrain moest zich sterk houden omwille van haar zoontje Jean en haar drie maanden oude dochtertje Fernande. Ze leden honger. Gelukkig kregen ze af en toe melk en wit brood van de buurvrouw. Angstig wachtte het gezin op een bericht dat misschien nooit zou komen. Dagen, weken, maanden verstreken.
Op 16 januari 1941 bracht de postbode een brief. Hubert was gezond en wel. Hij was in Dunkerque ingescheept naar Engeland. Daar had hij 6 weken opgediend voor een minister om daarna als bekister van betonblokken te werken (zijn oorspronkelijk beroep was timmerman). Waren dit de betonblokken die later bij de invasie op 6 juni 1944 naar Frankrijk gesleept werden om daar te fungeren als kunstmatige havenbescherming aan de Normandische kust? In elk geval leefde Hubert nog. De brieven die hij af en toe schreef werden door het Rode Kruis via Portugal bezorgd, maar vertoonden duidelijk de tekens van opening door de Duitsers. Trots en met weemoed liet Jean ons tijdens gesprekken meermaals de brieven zien die hij sindsdien zorgvuldig bewaard heeft. Via dezelfde weg bereikten hen ook soms doosjes sardienen die snel verdwenen in de hongerige magen.
De oorlog duurde lang. Veel te lang. De bezetting zou duren tot september 1944. Uiteindelijk kon ook Hubert Joniaux naar zijn gezin terugkeren. Zijn dochtertje had hij voor zijn vertrek nauwelijks gezien. Jean was al een hele jongen geworden. Hij had zijn vader met de fiets zien vertrekken en bleef zich afvragen waar deze fiets nu gebleven was! Het was een emotioneel weerzien.
Nu, meer dan 65 jaar geleden ziet Jean Joniaux het verspillen van eten nog steeds als een zonde. Hij weet immers wat honger lijden is. Ook blijft hij de mensen dankbaar die destijds voor hen gezorgd en gestreden hebben. Tot op de dag van vandaag heeft hij contact met Franse militairen of hun familie.
De historische zoektocht naar de achtergronden, de belevenissen en de familiebanden van personen over de ganse wereld met als gemeenschappelijk kenmerk de naam Joniaux.
08 oktober 2010
27 april 2010
Aflevering 108: Het gezin van Charles Felix J.
Ga nog even opnieuw een kijkje nemen bij aflevering 025, waarin we het gezin van Jacques Joniaux (1794-1878) beschreven. De hele verhaallijn die we tot nu toe ontrafelden, vond zijn oorsprong bij zijn oudste zoon Lucien Joniaux (1823-1912), mijn overgrootvader. Maar Jacques had, samen met zijn echtgenote Charlotte J.E. Vangoidsenhoven, nog acht andere kinderen. Van de dochters hebben we voorlopig geen afstamming uitgewerkt. Misschien dat er bloglezers zijn die zich hiertoe geroepen voelen. We hadden ons immers voorgenomen om ook de kinderen van vrouwelijke Joniaux naamgenoten op te nemen in de Joniaux Saga.
Het tweede kind in het gezin was, naast zijn twee jaar ouder broertje Lucien, Charles Felix Joniaux. Hij werd geboren op 4 november 1825 in Piétrain. In het begin van datzelfde jaar waren in de provincies Groningen, Friesland en Overijsel 800 mensen om het leven gekomen bij ernstige dijkbreuken en overstromingen (België en Nederland vormden op dat ogenblik nog het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden onder leiding van Willem I). Op 10 februari 1858 (voor de geïnteresseerden: één dag voor de verschijning van de H. Maagd Maria aan Bernadette Soubirous in Lourdes, waar zich tot op de dag van vandaag voor de katholieken over gans de wereld één van de belangrijkste pelgrimsoorden bevindt,) huwde hij, eveneens in Piétrain, Rosalie Daumont. Zij was vijf jaar jonger, want geboren op 23 november 1830.
In het België, dat nog in de kinderschoenen stond, stichtte dit koppel een gezin met vier kinderen: drie jongens en een meisje.
Louis Joseph Joniaux werd geboren in 1858.
Een tweeling Justinien Joseph en Lucien Joseph zag het levenslicht eind 1861, doch zij stierven beiden kort na de geboorte.
In 1869 tenslotte werd Constance Marie Charlotte Joniaux geboren.
Van dit gezin werd het gezinsdiagram bijgevoegd.
Het tweede kind in het gezin was, naast zijn twee jaar ouder broertje Lucien, Charles Felix Joniaux. Hij werd geboren op 4 november 1825 in Piétrain. In het begin van datzelfde jaar waren in de provincies Groningen, Friesland en Overijsel 800 mensen om het leven gekomen bij ernstige dijkbreuken en overstromingen (België en Nederland vormden op dat ogenblik nog het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden onder leiding van Willem I). Op 10 februari 1858 (voor de geïnteresseerden: één dag voor de verschijning van de H. Maagd Maria aan Bernadette Soubirous in Lourdes, waar zich tot op de dag van vandaag voor de katholieken over gans de wereld één van de belangrijkste pelgrimsoorden bevindt,) huwde hij, eveneens in Piétrain, Rosalie Daumont. Zij was vijf jaar jonger, want geboren op 23 november 1830.
In het België, dat nog in de kinderschoenen stond, stichtte dit koppel een gezin met vier kinderen: drie jongens en een meisje.
Louis Joseph Joniaux werd geboren in 1858.
Een tweeling Justinien Joseph en Lucien Joseph zag het levenslicht eind 1861, doch zij stierven beiden kort na de geboorte.
In 1869 tenslotte werd Constance Marie Charlotte Joniaux geboren.
Van dit gezin werd het gezinsdiagram bijgevoegd.
14 april 2010
Aflevering 107: Het gezin van Anna Francisca J.
Als referentiepunt voor de stamboom van de Joniaux’ van het Thuisland (voornamelijk het hedendaagse België) hadden we gekozen voor de figuur van Jacques Joniaux (1794-1878). De afstammelingen van zijn oudste zoon Lucien (1823-1912) hadden we bijna volledig besproken (zie eventueel opnieuw vanaf aflevering 024 onder het label Thuisland) en een voorlopig eindpunt werd gevormd door mijn eigen gezin.
De jongste zoon van Lucien Joniaux (1823-1912) met name Antoon Evrard Joniaux (1885-1976) had, zoals reeds verhaald, 16 kinderen bij twee vrouwen. Velen onder hen stierven jong. De laatste zoon van de eerste echtgenote, die de volwassen leeftijd bereikte, was mijn vader Mathijs Joseph Joniaux (°1923).
Bij de tweede echtgenote Catharina Jeurissen (1887-1963) had Antoon Evrard 6 kinderen, waarvan slechts 4 de volwassen leeftijd bereikten. Eén daarvan stierf door een ongeval (zie aflevering 054), twee anderen, Maria Anna (1934-1996) en Hubertus Joannes (1935-2000), bleven kinderloos. Enkel Anna Francisca (°1937) had een gezin, doch deze kinderen dragen niet meer de naam Joniaux.
Toch willen we hier even het gezin van Anna (mijn tante) schetsen:
Anna Francisca Joniaux werd geboren op 10 maart 1967 in Veldwezelt. Zij huwde op 28 april 1962 in Lanaken met Vanwetswinkel Petrus Johannes (°17 mei 1936 te Hees). Anna was de (enige) onderwijzeres in het dorpje Kesselt waar ze woonde.
Samen kregen ze vier kinderen:
Vanwetswinkel Evarist Armand Marcel (°11 juni 1963 te Tongeren)
Vanwetswinkel Eddy Carlos Jean (°04 maart 1965 te Tongeren)
Vanwetsinkel Carine Marie-Claire Hubertine (3 januari 1967 te Tongeren) en
Vanwetswinkel Marleen Margot Renilde (°10 november 1969 te Tongeren).
De jongste zoon van Lucien Joniaux (1823-1912) met name Antoon Evrard Joniaux (1885-1976) had, zoals reeds verhaald, 16 kinderen bij twee vrouwen. Velen onder hen stierven jong. De laatste zoon van de eerste echtgenote, die de volwassen leeftijd bereikte, was mijn vader Mathijs Joseph Joniaux (°1923).
Bij de tweede echtgenote Catharina Jeurissen (1887-1963) had Antoon Evrard 6 kinderen, waarvan slechts 4 de volwassen leeftijd bereikten. Eén daarvan stierf door een ongeval (zie aflevering 054), twee anderen, Maria Anna (1934-1996) en Hubertus Joannes (1935-2000), bleven kinderloos. Enkel Anna Francisca (°1937) had een gezin, doch deze kinderen dragen niet meer de naam Joniaux.
Toch willen we hier even het gezin van Anna (mijn tante) schetsen:
Anna Francisca Joniaux werd geboren op 10 maart 1967 in Veldwezelt. Zij huwde op 28 april 1962 in Lanaken met Vanwetswinkel Petrus Johannes (°17 mei 1936 te Hees). Anna was de (enige) onderwijzeres in het dorpje Kesselt waar ze woonde.
Samen kregen ze vier kinderen:
Vanwetswinkel Evarist Armand Marcel (°11 juni 1963 te Tongeren)
Vanwetswinkel Eddy Carlos Jean (°04 maart 1965 te Tongeren)
Vanwetsinkel Carine Marie-Claire Hubertine (3 januari 1967 te Tongeren) en
Vanwetswinkel Marleen Margot Renilde (°10 november 1969 te Tongeren).
23 maart 2010
Aflevering 106: Het verdict
Nagelbijtend had het publiek het resultaat van de beraadslaging van de gezworenen op de 21ste zitting van het proces tegen Mevr. Joniaux-Ablay op 2 februari 1895 afgewacht en nu was het zover. De voorzitter van de jury sprak met luider stem: “Op mijne eer en geweten voor God en voor de menschen, de verklaring der jury is:
Op de eerste vraag: Ja
Op de tweede vraag: Ja
Op de derde vraag: Ja
Op de vierde vraag: Ja
Op de vijfde vraag: Ja
Op de zesde vraag: Ja
Onmiddellijk ontstond er tumult in de zaal en hier en daar kon je zelfs een bravo horen roepen. De voorzitter eiste stilte onder de bedreiging anders de zaal te doen ontruimen. Daarna werd de verdachte, die tot dan toe onwetend was over de uitslag, de zaal binnengeleid en ook zij kreeg het verdict te horen. Bij het horen van het eerste antwoord, wist zij met zekerheid het resultaat van de volgende vragen. Even dreigde ze in elkaar te storten, maar ze vermande zich en toen de voorzitter vroeg of ze hier nog iets aan toe te voegen antwoordde ze stellig: “Neen.”
Over de strafmaat hoefde het Hof maar enkele minuten te beraadslagen en volgend vonnis werd uitgesproken:
“Maria Theresia Josephina Ablay wordt veroordeeld tot de doodstraf. De uitvoering moet plaats hebben op eene der openbare plaatsen van Antwerpen.”
De opschudding die dit vonnis in de stad teweeg bracht is nagenoeg onbeschrijfelijk “Uitbundig” is de uitdrukking die mogelijks het dichtst de realiteit benadert. Rond het justitiepaleis werd er gejuicht en gejubeld; handengeklap alom. Er werd zelfs gezongen: “Leve onze jury en ze mag er wezen…”. Een eventuele vrijspraak zou zeker onlusten tot gevolg gehad hebben. Overal werd druk gedebatteerd. De gendarmen sloten de omgeving rond het gebouw af en dan was het zover.
De gevangenenkar was in aantocht! Voorop 8 gendarmen te paard, rond de koets 6 en er achter 12 gendarmen te paard. Deze stoet werd gevolg door 15 gendarmen te voet. Het rijtuig werd omringd door de roepende en zingende meute. Ook advocaat Graux moest het in de tirades ontgelden. De gendarmes slaagden erin de woedende menigte uiteen te drijven en zich een weg te banen in de richting van de gevangenis van de Begijnenstraat die voor de gelegenheid volledig afgesloten was.
Een belangrijk hoofdstuk uit de geschiedenis van deze Joniaux naamgenoten kwam hier tot een einde, doch het einde van een hoofdstuk is meestal het begin van een nieuw. Dit geldt ook voor de Joniaux Saga. Wil je weten hoe het verder verliep met deze en andere naamgenoten, blijf dan onze blog volgen.
Op de eerste vraag: Ja
Op de tweede vraag: Ja
Op de derde vraag: Ja
Op de vierde vraag: Ja
Op de vijfde vraag: Ja
Op de zesde vraag: Ja
Onmiddellijk ontstond er tumult in de zaal en hier en daar kon je zelfs een bravo horen roepen. De voorzitter eiste stilte onder de bedreiging anders de zaal te doen ontruimen. Daarna werd de verdachte, die tot dan toe onwetend was over de uitslag, de zaal binnengeleid en ook zij kreeg het verdict te horen. Bij het horen van het eerste antwoord, wist zij met zekerheid het resultaat van de volgende vragen. Even dreigde ze in elkaar te storten, maar ze vermande zich en toen de voorzitter vroeg of ze hier nog iets aan toe te voegen antwoordde ze stellig: “Neen.”
Over de strafmaat hoefde het Hof maar enkele minuten te beraadslagen en volgend vonnis werd uitgesproken:
“Maria Theresia Josephina Ablay wordt veroordeeld tot de doodstraf. De uitvoering moet plaats hebben op eene der openbare plaatsen van Antwerpen.”
De opschudding die dit vonnis in de stad teweeg bracht is nagenoeg onbeschrijfelijk “Uitbundig” is de uitdrukking die mogelijks het dichtst de realiteit benadert. Rond het justitiepaleis werd er gejuicht en gejubeld; handengeklap alom. Er werd zelfs gezongen: “Leve onze jury en ze mag er wezen…”. Een eventuele vrijspraak zou zeker onlusten tot gevolg gehad hebben. Overal werd druk gedebatteerd. De gendarmen sloten de omgeving rond het gebouw af en dan was het zover.
De gevangenenkar was in aantocht! Voorop 8 gendarmen te paard, rond de koets 6 en er achter 12 gendarmen te paard. Deze stoet werd gevolg door 15 gendarmen te voet. Het rijtuig werd omringd door de roepende en zingende meute. Ook advocaat Graux moest het in de tirades ontgelden. De gendarmes slaagden erin de woedende menigte uiteen te drijven en zich een weg te banen in de richting van de gevangenis van de Begijnenstraat die voor de gelegenheid volledig afgesloten was.
Een belangrijk hoofdstuk uit de geschiedenis van deze Joniaux naamgenoten kwam hier tot een einde, doch het einde van een hoofdstuk is meestal het begin van een nieuw. Dit geldt ook voor de Joniaux Saga. Wil je weten hoe het verder verliep met deze en andere naamgenoten, blijf dan onze blog volgen.
16 maart 2010
Aflevering 105: De jury beslist
Na drie slopende weken met dagelijkse zittingen kwam begin februari 1895 een eind aan het proces tegen Mevr. Joniaux-Ablay met een uitvoerig slotrekwisitorium van de advocaat-generaal, dat gevolgd werd door de pleitredes van beide advocaten van de verdediging. Als eerste van beide verdedigers nam Mr. Hendrickx het woord. Enige commotie ontstond toen hij op zeker ogenblik zijn betoog onderbrak en opschorting vroeg, gezien hij zich onwel voelde… Na 4 uur pauze kon de draad opnieuw opgepikt worden.
En dan op zaterdag 2 februari keek iedereen uit naar het slotpleidooi van Mr. Graux. Aan het eind hiervan hekelde hij de onmenselijke ondervraging door de onderzoeksrechter van Brussel aan Emilie Ablay. De gezondheidstoestand van de zus van Mevr. Joniaux-Ablay was tijdens de periode van voorhechtenis zienderogen achteruit gegaan en het advies van Dr. Vleminckx was ingewonnen om te zien of zij zelfs nog in staat was ondervraagd te worden. Tenslotte is zij overleden. Daarom besloot Mr. Graux zijn redevoering met de woorden: “Zij is gestorven met de verdediging harer zuster op de lippen. Hare stem, heeren gezwoornen, zult gij in uwe kamer van beraadslaging hooren weerklinken en daaraan zult gij gehoor geven.”
Hierna volgden de korte replieken van zowel de advocaat-generaal als van Mr. Graux en Mevr. Joniaux-Ablay werd gevraagd of zij nog iets toe te voegen had. Zij antwoordde negatief en om 13:00 u werden de verhandelingen gesloten. Nu werden de vragen die aan de jury voorgelegd werden, geformuleerd:
Vraag 1: Is Maria Theresia Ablay, echtgenote Alidor Henri Joniaux, hier beschuldigd, plichtig te Antwerpen in de maand Februari 1892 vrijwillig en met inzicht van den dood toe te brengen eenen manslag gepleegd te hebben op den persoon van Leonie Ablay?
Vraag 2: Is de misdaad hierboven vermeld, gepleegd bij middel van zelfstandigheden die den dood min of meer snel kunnen veroorzaken op welke wijze ook de zelfstandigheden toegediend zijn?
Vraag 3, 4, 5 en 6: Hetzelfde voor den dood van Jaak Vandenkerckhove en Alfred Ablay.
Tijdens de beraadslaging van de (mannelijke) gezworenen zag de Nijverheidslei, waar het gerechtsgebouw zich bevond, zwart van het volk. In de herbergen stond het publiek zo dicht op elkaar gepakt, dat je er onmogelijk nog in of uit kon geraken. Bij de ingang van het justitiepaleis hadden de 25 gendarmes te paard en de politie alle moeite van de wereld het volk onder controle te houden.
Na 20 minuten beraadslaging traden de gezworenen opnieuw de gerechtszaal binnen. Alles werd stil. De leden van het Hof namen plaats en de voorzitter gaf het woord aan de voorzitter van de jury. Met luider stem las hij de antwoorden af: “Op mijne eer en geweten voor God en voor de menschen; de verklaring der jury is:…”
En dan op zaterdag 2 februari keek iedereen uit naar het slotpleidooi van Mr. Graux. Aan het eind hiervan hekelde hij de onmenselijke ondervraging door de onderzoeksrechter van Brussel aan Emilie Ablay. De gezondheidstoestand van de zus van Mevr. Joniaux-Ablay was tijdens de periode van voorhechtenis zienderogen achteruit gegaan en het advies van Dr. Vleminckx was ingewonnen om te zien of zij zelfs nog in staat was ondervraagd te worden. Tenslotte is zij overleden. Daarom besloot Mr. Graux zijn redevoering met de woorden: “Zij is gestorven met de verdediging harer zuster op de lippen. Hare stem, heeren gezwoornen, zult gij in uwe kamer van beraadslaging hooren weerklinken en daaraan zult gij gehoor geven.”
Hierna volgden de korte replieken van zowel de advocaat-generaal als van Mr. Graux en Mevr. Joniaux-Ablay werd gevraagd of zij nog iets toe te voegen had. Zij antwoordde negatief en om 13:00 u werden de verhandelingen gesloten. Nu werden de vragen die aan de jury voorgelegd werden, geformuleerd:
Vraag 1: Is Maria Theresia Ablay, echtgenote Alidor Henri Joniaux, hier beschuldigd, plichtig te Antwerpen in de maand Februari 1892 vrijwillig en met inzicht van den dood toe te brengen eenen manslag gepleegd te hebben op den persoon van Leonie Ablay?
Vraag 2: Is de misdaad hierboven vermeld, gepleegd bij middel van zelfstandigheden die den dood min of meer snel kunnen veroorzaken op welke wijze ook de zelfstandigheden toegediend zijn?
Vraag 3, 4, 5 en 6: Hetzelfde voor den dood van Jaak Vandenkerckhove en Alfred Ablay.
Tijdens de beraadslaging van de (mannelijke) gezworenen zag de Nijverheidslei, waar het gerechtsgebouw zich bevond, zwart van het volk. In de herbergen stond het publiek zo dicht op elkaar gepakt, dat je er onmogelijk nog in of uit kon geraken. Bij de ingang van het justitiepaleis hadden de 25 gendarmes te paard en de politie alle moeite van de wereld het volk onder controle te houden.
Na 20 minuten beraadslaging traden de gezworenen opnieuw de gerechtszaal binnen. Alles werd stil. De leden van het Hof namen plaats en de voorzitter gaf het woord aan de voorzitter van de jury. Met luider stem las hij de antwoorden af: “Op mijne eer en geweten voor God en voor de menschen; de verklaring der jury is:…”
10 maart 2010
Aflevering 104: Emoties
Je kan je wel voorstellen dat het proces tegen Mevr. Joniaux-Ablay in 1895 niet enkel een juridisch steekspel was tussen de meest vooraanstaande juristen van België in die tijd, het deed ook de gemoederen hoog oplaaien. In de eerste plaats natuurlijk voor de beklaagde en haar gezin. Elk bezoek dat zij haar brachten in de gevangenis ging gepaard met heftige emoties. In de gerechtszaal daarentegen leek de beschuldigde, behoudens een enkele uitzondering, de kalmte zelf, hetgeen, zoals tijdens vorige aflevering gemeld, door sommigen geïnterpreteerd werd als de koele onbewogenheid van een killer. Eén van die uitzonderingen, waarop de pathos het overwicht kreeg op de ratio, willen we je niet onthouden, zeker gezien de context van ons blogverhaal.
Regelmatig legde de voorzitter van het Hof de beklaagde het vuur aan de schenen wat betreft de financiële toestand van het gezin. Uitvoerig gaf Mevr. Joniaux-Ablay blijk van een perfecte dossierkennis en als een echte boekhoudster deed ze al de verrichtingen uit de doeken. Toen op zeker ogenblik haar man Alidor Henri Joniaux in het verhaal voor kwam, werd het haar even teveel. Ze barstte in tranen uit en bepleitte vurig: “Mijn man handelde eerlijk. Werden er fouten in mijn financieel beheer gedaan, dan eisch ik al de verantwoordelijkheid ervan voor mijzelve. Mijn man en mijne kinderen zijn schuldeloos en moet ik getroffen worden, dat, tenminste, hun naam onbevlekt blijve!”
Nu, Alidor Henri’s naam kon niet meer onbevlekt blijven. Al was het maar omwille van het feit dat iedereen over de hele wereld sprak over de geruchtmakende affaire Joniaux en niet Ablay. In de aanloop naar het proces had hij reeds zijn ontslag ingediend als hoofdingenieur van de Dienst Bruggen en Wegen voor de provincie Antwerpen. In eerste instantie werd dat geweigerd, doch later zag men in dat hij door de gebeurtenissen zijn beroep niet meer op een serene wijze kon uitoefenen. Een althans voorlopig ontslag drong zich dan ook op. Toch mag het zeer verwonderlijk zijn, dat hijzelf, behoudens een enkele allusie in een krant in het verre buitenland, zelden als mogelijke dader of zelfs medeplichtige in een complot werd gezien door de buitenwereld. Dit geeft ons reden om te vermoeden dat hij naar voor gekomen moet zijn als een zeer integer man met onberispelijk karakter.
Nochtans moet het immens moeilijk zijn geweest om zich nog in de stad voort te bewegen te midden van mensen die je bleven aanstaren en zelfs niet te beroerd waren om hem en zijn echtgenote verwijten te maken. Elke keer als het rijtuig met de beklaagde de gevangenis verliet om naar het justitiepaleis geleid te worden, werden gendarmes te paard voorzien en op zeker ogenblik moest het volk in de straat van het gerechtsgebouw hardhandig teruggedrongen worden. Er werden grappen verzonnen die verwezen naar de affaire en in de kroegen werden de zeemansliederen afgewisseld door liedjes met niets verhullende namen als: “Schoon zangstuk over de geheimzinnige zaak Antwerpen, Gent, Leuven, opgesteld tot exempel voor oud en jong.” , “Gezang over de Drijdubbele Moord door Vergiftiging gepleegd door Mme Joniaux op haar eigen Zuster, Broeder en Oom.” en “Nieuw Kluchtlied: Hoog Vliegen en Laag Vallen”.
We hebben in onze zoektocht de hand kunnen leggen op de tekst van 4 van deze volksliederen (er zijn er nog meer). Ze zijn een beknopte weergave van de voorafgaande feiten, al dan niet correct, in meerdere (vaak slecht rijmende) strofen en men verhult hierbij de persoonlijke verontwaardiging geenszins. Zelfs voor het proces beëindigd was, hadden de opstellers ervan hun mening al klaar en ze schuwden het niet deze aan hun likkebaardende publiek ten toon te spreiden. Gemeenschappelijk van aard is tevens het slotrefrein of de slotstrofe, waarvan we hier enkele exemplaren publiceren.
“Daar is een da… reeds gehouden aan,
En zit nu in ’t gevang te zuchten,
Ze overweegt nu in getraan,
De boosheid, als zij ’t heeft gedaan.
Wilt steeds uw evenmensch beminnen,
En vermijdt toch alle zucht naar ’t geld,
Anders verliest gij ook uw zinnen
En wordt door duivelsraad gekweld.”
“Dees vrouw zoo slecht bedeeld,
Stel ik hier tot voorbeeld
Van elken dwazen mensch
Die stelt zijn zin en wensch
Op pracht en op ’t spel, zo het meermaals gebeurd (sic)
Want dit wordt ten allen tijd afgekeurd,
En leidt ons in ’t verdriet,
Lijk ’t hier weer is geschied,
Bij dees dame Joniaux?
Zend ze naar den Congo.”
“Lijk ons Madam Ch… ! (nvdr: men kon blijkbaar de naam Joniaux niet spellen!)
Zend ze naar Monaco!
Of wel te Spa, naar ’t bad!
De schand van onze stad.”
De schande van de stad, de schande van het land! Kan je je voorstellen welk impact dit gehad moet hebben op haar stiefzoon Charles (Karel) Joniaux, een jongeman van 18 jaar, weliswaar geboren uit de schoot van een andere moeder, doch die van in zijn kleutertijd opgevangen en opgevoed werd door de vrouw die nu onderwerp was van spot en nijd en beschuldigd werd van afschuwelijke misdaden? De druk op zijn jonge schouders (en op die van zijn zussen) moet onmenselijk groot zijn geweest en een enkele keer kon ook hij zich niet inhouden en hij verhief zijn stem tijdens het proces op een moment dat hem geen vraag gesteld werd. De voorzitter van het Hof maande hem aan tot kalmte, zo niet moest hij de zaal verlaten. Dit dreigement legde hem het zwijgen op, maar in zijn binnenste barstte een vulkaan aan emoties uit…
Regelmatig legde de voorzitter van het Hof de beklaagde het vuur aan de schenen wat betreft de financiële toestand van het gezin. Uitvoerig gaf Mevr. Joniaux-Ablay blijk van een perfecte dossierkennis en als een echte boekhoudster deed ze al de verrichtingen uit de doeken. Toen op zeker ogenblik haar man Alidor Henri Joniaux in het verhaal voor kwam, werd het haar even teveel. Ze barstte in tranen uit en bepleitte vurig: “Mijn man handelde eerlijk. Werden er fouten in mijn financieel beheer gedaan, dan eisch ik al de verantwoordelijkheid ervan voor mijzelve. Mijn man en mijne kinderen zijn schuldeloos en moet ik getroffen worden, dat, tenminste, hun naam onbevlekt blijve!”
Nu, Alidor Henri’s naam kon niet meer onbevlekt blijven. Al was het maar omwille van het feit dat iedereen over de hele wereld sprak over de geruchtmakende affaire Joniaux en niet Ablay. In de aanloop naar het proces had hij reeds zijn ontslag ingediend als hoofdingenieur van de Dienst Bruggen en Wegen voor de provincie Antwerpen. In eerste instantie werd dat geweigerd, doch later zag men in dat hij door de gebeurtenissen zijn beroep niet meer op een serene wijze kon uitoefenen. Een althans voorlopig ontslag drong zich dan ook op. Toch mag het zeer verwonderlijk zijn, dat hijzelf, behoudens een enkele allusie in een krant in het verre buitenland, zelden als mogelijke dader of zelfs medeplichtige in een complot werd gezien door de buitenwereld. Dit geeft ons reden om te vermoeden dat hij naar voor gekomen moet zijn als een zeer integer man met onberispelijk karakter.
Nochtans moet het immens moeilijk zijn geweest om zich nog in de stad voort te bewegen te midden van mensen die je bleven aanstaren en zelfs niet te beroerd waren om hem en zijn echtgenote verwijten te maken. Elke keer als het rijtuig met de beklaagde de gevangenis verliet om naar het justitiepaleis geleid te worden, werden gendarmes te paard voorzien en op zeker ogenblik moest het volk in de straat van het gerechtsgebouw hardhandig teruggedrongen worden. Er werden grappen verzonnen die verwezen naar de affaire en in de kroegen werden de zeemansliederen afgewisseld door liedjes met niets verhullende namen als: “Schoon zangstuk over de geheimzinnige zaak Antwerpen, Gent, Leuven, opgesteld tot exempel voor oud en jong.” , “Gezang over de Drijdubbele Moord door Vergiftiging gepleegd door Mme Joniaux op haar eigen Zuster, Broeder en Oom.” en “Nieuw Kluchtlied: Hoog Vliegen en Laag Vallen”.
We hebben in onze zoektocht de hand kunnen leggen op de tekst van 4 van deze volksliederen (er zijn er nog meer). Ze zijn een beknopte weergave van de voorafgaande feiten, al dan niet correct, in meerdere (vaak slecht rijmende) strofen en men verhult hierbij de persoonlijke verontwaardiging geenszins. Zelfs voor het proces beëindigd was, hadden de opstellers ervan hun mening al klaar en ze schuwden het niet deze aan hun likkebaardende publiek ten toon te spreiden. Gemeenschappelijk van aard is tevens het slotrefrein of de slotstrofe, waarvan we hier enkele exemplaren publiceren.
“Daar is een da… reeds gehouden aan,
En zit nu in ’t gevang te zuchten,
Ze overweegt nu in getraan,
De boosheid, als zij ’t heeft gedaan.
Wilt steeds uw evenmensch beminnen,
En vermijdt toch alle zucht naar ’t geld,
Anders verliest gij ook uw zinnen
En wordt door duivelsraad gekweld.”
“Dees vrouw zoo slecht bedeeld,
Stel ik hier tot voorbeeld
Van elken dwazen mensch
Die stelt zijn zin en wensch
Op pracht en op ’t spel, zo het meermaals gebeurd (sic)
Want dit wordt ten allen tijd afgekeurd,
En leidt ons in ’t verdriet,
Lijk ’t hier weer is geschied,
Bij dees dame Joniaux?
Zend ze naar den Congo.”
“Lijk ons Madam Ch… ! (nvdr: men kon blijkbaar de naam Joniaux niet spellen!)
Zend ze naar Monaco!
Of wel te Spa, naar ’t bad!
De schand van onze stad.”
De schande van de stad, de schande van het land! Kan je je voorstellen welk impact dit gehad moet hebben op haar stiefzoon Charles (Karel) Joniaux, een jongeman van 18 jaar, weliswaar geboren uit de schoot van een andere moeder, doch die van in zijn kleutertijd opgevangen en opgevoed werd door de vrouw die nu onderwerp was van spot en nijd en beschuldigd werd van afschuwelijke misdaden? De druk op zijn jonge schouders (en op die van zijn zussen) moet onmenselijk groot zijn geweest en een enkele keer kon ook hij zich niet inhouden en hij verhief zijn stem tijdens het proces op een moment dat hem geen vraag gesteld werd. De voorzitter van het Hof maande hem aan tot kalmte, zo niet moest hij de zaal verlaten. Dit dreigement legde hem het zwijgen op, maar in zijn binnenste barstte een vulkaan aan emoties uit…
03 maart 2010
Aflevering 103: Het motief
Tijdens het proces tegen Mevr. Joniaux-Ablay begin 1895, waarin ze beschuldigd werd van drievoudige moord door vergiftiging, bleek de aanwezigheid van een lichaamsvreemde stof enkel in het geval van het laatste slachtoffer, Alfred Ablay, aangetoond te kunnen worden. Er waren restanten van morfine aangetroffen.
Het lijkt ons misschien wat vreemd, maar in die dagen was het gebruik van morfine meer gangbaar. Het werd toegepast als pijnstiller en antidepressivum. Het was niet vrij, maar enkel op voorschrift van een geneesheer, verkrijgbaar. Mevr. Joniaux-Ablay bleek een grote hoeveelheid morfine aangekocht te hebben met diverse voorschriften van verscheidene artsen. Tevens bleken een aantal van die voorschriften vervalst. Haar hiermee confronterend, antwoordde de beschuldigde dat het ofwel voor persoonlijk gebruik was, dan wel bestemd was voor familieleden zoals haar echtgenoot en haar zus Emilie. Daarenboven zou Alfred ook zelf morfine gebruikt hebben. Er waren getuigen die dit bevestigden, maar ook die dit ontkenden. In elk geval maakte de morfineaankopen haar toch wel verdacht.
Een belangrijk deel van het proces bestond in het aantonen van het motief voor de drievoudige moord. Onderzoeksrechter Hayoit had een voor de hand liggend motief gevonden: chronisch geldgebrek. Met de moorden zou de beklaagde de financiële putten, die ze steeds opnieuw groef, kunnen aanvullen. Bij het eerste slachtoffer, de zus van Mevr. Joniaux-Ablay, was een som van 100.000 frank uitgekeerd. Daarvan zou, zoals we in blogaflevering 68 vermeldden, 30.000 frank gebruikt zijn om de bruiloft van dochter Jeanne Faber met Oscar Mertens te bekostigen en 40.000 frank werd aan zus Emilie gegeven. Het resterend bedrag zou, aldus de beschuldigde, aangewend zijn om de “geheime” schulden van haar moeder af te betalen. Gedurende het hele proces heeft ze blijven weigeren de grond van dit geheim te onthullen om aldus familieschande te vermijden. Deze hardnekkigheid werd door de pers vaak geïnterpreteerd als arrogantie en werd gezien als uiting van haar hautain gedrag, hetgeen haar zeker niet geliefd maakte bij het grote publiek. Officieel was dus de 30.000 frank zoek.
Na het overlijden van Jaak Vandenkerckhove, zo werd uit de doeken gedaan door de magistraat, had Mevr. Joniaux-Ablay gehoopt een groot bedrag te erven, doch dit werd gedwarsboomd door het testament dat Jaak intussen had laten maken op naam van zijn vriendin en diens zoontje. De beschuldigde repliceerde hierop dat, zelfs indien er geen testament zou zijn geweest, de erfenis sowieso in eerste instantie naar de zus van het slachtoffer, Hortense Vandenkerckhove (haar schoonmoeder) gegaan zijn. Pas in tweede instantie zou er dan gedeeld kunnen worden tussen Leon, Hector en Alidor Henri. Dus in het meest gunstige geval zou de erfenis slechts een fractie bedragen van de totale eigendom.
Bij de levensverzekering die Alfred Ablay afsloot bij Gresham liep alles mis, want het was op verzoek van de directeur ervan dat het onderzoek gestart was. Een persoonlijke opmerking die wij, blogschrijvers, hierbij maken, is de volgende. Alfred had zelf in Parijs al een verzekering afgesloten; hij had de papieren op zak. Toch overtuigde Mevr. Joniaux-Ablay hem met een concurrerende firma in zee te gaan aangezien die voordeliger zou zijn. Als (en we leggen de klemtoon op “als”) zij de intentie had om haar broer te vermoorden, dan maakte die meer voordelige regeling niets uit. Integendeel, bij een eventueel vermoeden van misdaad zou het veel minder in haar richting wijzen als de verzekering inderdaad door Alfred alleen afgesloten zou zijn en niet door inmenging van zijn zus, die bij overlijden de begunstigde was.
In elk geval: de hele financiële toestand van het gezin werd door experts uitgeplozen en in extenso ten toon gespreid. Alidor Henri, zijn zoon Charles (Karel) en zijn beide dochters moesten het met lede ogen aanzien. Zij konden enkel hun echtgenote en stiefmoeder mentaal ondersteunen en hopen dat de verdediging die ze samen opbouwden stevig genoeg zou zijn om de nimmer aflatende aanvallen te weerstaan. In de beklaagdenbank weerde Maria Theresia zich als een gewonde leeuwin die wordt belaagd door een roedel hyenahonden.
Het lijkt ons misschien wat vreemd, maar in die dagen was het gebruik van morfine meer gangbaar. Het werd toegepast als pijnstiller en antidepressivum. Het was niet vrij, maar enkel op voorschrift van een geneesheer, verkrijgbaar. Mevr. Joniaux-Ablay bleek een grote hoeveelheid morfine aangekocht te hebben met diverse voorschriften van verscheidene artsen. Tevens bleken een aantal van die voorschriften vervalst. Haar hiermee confronterend, antwoordde de beschuldigde dat het ofwel voor persoonlijk gebruik was, dan wel bestemd was voor familieleden zoals haar echtgenoot en haar zus Emilie. Daarenboven zou Alfred ook zelf morfine gebruikt hebben. Er waren getuigen die dit bevestigden, maar ook die dit ontkenden. In elk geval maakte de morfineaankopen haar toch wel verdacht.
Een belangrijk deel van het proces bestond in het aantonen van het motief voor de drievoudige moord. Onderzoeksrechter Hayoit had een voor de hand liggend motief gevonden: chronisch geldgebrek. Met de moorden zou de beklaagde de financiële putten, die ze steeds opnieuw groef, kunnen aanvullen. Bij het eerste slachtoffer, de zus van Mevr. Joniaux-Ablay, was een som van 100.000 frank uitgekeerd. Daarvan zou, zoals we in blogaflevering 68 vermeldden, 30.000 frank gebruikt zijn om de bruiloft van dochter Jeanne Faber met Oscar Mertens te bekostigen en 40.000 frank werd aan zus Emilie gegeven. Het resterend bedrag zou, aldus de beschuldigde, aangewend zijn om de “geheime” schulden van haar moeder af te betalen. Gedurende het hele proces heeft ze blijven weigeren de grond van dit geheim te onthullen om aldus familieschande te vermijden. Deze hardnekkigheid werd door de pers vaak geïnterpreteerd als arrogantie en werd gezien als uiting van haar hautain gedrag, hetgeen haar zeker niet geliefd maakte bij het grote publiek. Officieel was dus de 30.000 frank zoek.
Na het overlijden van Jaak Vandenkerckhove, zo werd uit de doeken gedaan door de magistraat, had Mevr. Joniaux-Ablay gehoopt een groot bedrag te erven, doch dit werd gedwarsboomd door het testament dat Jaak intussen had laten maken op naam van zijn vriendin en diens zoontje. De beschuldigde repliceerde hierop dat, zelfs indien er geen testament zou zijn geweest, de erfenis sowieso in eerste instantie naar de zus van het slachtoffer, Hortense Vandenkerckhove (haar schoonmoeder) gegaan zijn. Pas in tweede instantie zou er dan gedeeld kunnen worden tussen Leon, Hector en Alidor Henri. Dus in het meest gunstige geval zou de erfenis slechts een fractie bedragen van de totale eigendom.
Bij de levensverzekering die Alfred Ablay afsloot bij Gresham liep alles mis, want het was op verzoek van de directeur ervan dat het onderzoek gestart was. Een persoonlijke opmerking die wij, blogschrijvers, hierbij maken, is de volgende. Alfred had zelf in Parijs al een verzekering afgesloten; hij had de papieren op zak. Toch overtuigde Mevr. Joniaux-Ablay hem met een concurrerende firma in zee te gaan aangezien die voordeliger zou zijn. Als (en we leggen de klemtoon op “als”) zij de intentie had om haar broer te vermoorden, dan maakte die meer voordelige regeling niets uit. Integendeel, bij een eventueel vermoeden van misdaad zou het veel minder in haar richting wijzen als de verzekering inderdaad door Alfred alleen afgesloten zou zijn en niet door inmenging van zijn zus, die bij overlijden de begunstigde was.
In elk geval: de hele financiële toestand van het gezin werd door experts uitgeplozen en in extenso ten toon gespreid. Alidor Henri, zijn zoon Charles (Karel) en zijn beide dochters moesten het met lede ogen aanzien. Zij konden enkel hun echtgenote en stiefmoeder mentaal ondersteunen en hopen dat de verdediging die ze samen opbouwden stevig genoeg zou zijn om de nimmer aflatende aanvallen te weerstaan. In de beklaagdenbank weerde Maria Theresia zich als een gewonde leeuwin die wordt belaagd door een roedel hyenahonden.
23 februari 2010
Aflevering 102: Vergiftiging?
We gaan de gebeurtenissen die zich afspeelden ten tijde van het proces tegen Mevr. Joniaux-Ablay in het prille voorjaar van 1895 niet van dag tot dag bespreken. Wel willen we even stilstaan bij een aantal benaderingswijzen.
Mevr. Joniaux-Ablay werd beschuldigd van de moord door vergiftiging van haar zus, de oom van haar echtgenoot en haar broer. Deskundig onderzoek, ondermeer uitgevoerd door Prof. Gustave Bruylants, had aangetoond dat in het geval van het laatste overlijden, dat van Alfred Ablay, wel degelijk sporen van morfine werden aangetroffen in de organen, maar niet in de hersenen. Of deze dosis letaal (dodelijk) moet zijn geweest, kon niet bevestigd worden. Evenmin kon uiteraard niet uitgemaakt worden of deze dosis vrijwillig, dan wel onvrijwillig toegediend was en nog minder wie die dan toegediend zou hebben.
In de biografie die Gustave Bruylants kleinzoon, professor emeritus Albert Bruylants, eveneens chemicus aan de Leuvense universiteit, schreef over zijn grootvader, kunnen we het volgende lezen over het vinden van de sporen van morfine in Alfreds lichaam (vertaald, zie bijvoegsel):
“Dit resultaat had enerzijds tot gevolg dat Madame Joniaux werd aangehouden en dat er anderzijds werd overgegaan tot de opgraving en autopsie van de andere twee slachtoffers. Maar hier kon de chemisch expert niet het minste spoor van vergif terugvinden; enkel de medische expertise leek het vermoeden van vergiftiging met morfine te kunnen bevestigen.”
“Telkens mijn grootvader de zaak Joniaux aanhaalde voor zijn studenten zei hij hen:”Dat hij, die op zoek is naar gemoedsrust, zich niet inlate met gerechtelijke expertises”.”
Hieruit concluderen wij dat prof. Gustave Bruylants, belast met de chemische analyse van het bewijsmateriaal in de zaak Joniaux, van mening was dat er onvoldoende medisch wetenschappelijke argumenten waren om ondubbelzinnig te kunnen spreken van moedwillige vergiftiging. Of de openbare aanklager, de rechters, maar vooral de jury deze gedachtegang volgden, zullen we in de volgende afleveringen bespreken.



Mevr. Joniaux-Ablay werd beschuldigd van de moord door vergiftiging van haar zus, de oom van haar echtgenoot en haar broer. Deskundig onderzoek, ondermeer uitgevoerd door Prof. Gustave Bruylants, had aangetoond dat in het geval van het laatste overlijden, dat van Alfred Ablay, wel degelijk sporen van morfine werden aangetroffen in de organen, maar niet in de hersenen. Of deze dosis letaal (dodelijk) moet zijn geweest, kon niet bevestigd worden. Evenmin kon uiteraard niet uitgemaakt worden of deze dosis vrijwillig, dan wel onvrijwillig toegediend was en nog minder wie die dan toegediend zou hebben.
In de biografie die Gustave Bruylants kleinzoon, professor emeritus Albert Bruylants, eveneens chemicus aan de Leuvense universiteit, schreef over zijn grootvader, kunnen we het volgende lezen over het vinden van de sporen van morfine in Alfreds lichaam (vertaald, zie bijvoegsel):
“Dit resultaat had enerzijds tot gevolg dat Madame Joniaux werd aangehouden en dat er anderzijds werd overgegaan tot de opgraving en autopsie van de andere twee slachtoffers. Maar hier kon de chemisch expert niet het minste spoor van vergif terugvinden; enkel de medische expertise leek het vermoeden van vergiftiging met morfine te kunnen bevestigen.”
Men was dus voor wat betreft de eerste twee slachtoffers aangewezen op de mening van de aangestelde medische experts die de diagnose van de artsen, die het overlijden hadden vastgesteld, in twijfel trokken. Men kan zich dan ook de vraag stellen wiens versie de juiste was. Waren de artsen die het korte ziekteproces van beide slachtoffers van dichtbij gevolgd hadden en tenslotte een doodsoorzaak vaststelden, misleid door het onwaarschijnlijke scenario van een vergiftiging of waren het juist de respectievelijk één en twee jaren achteraf aangestelde medische experts die door Hineininterpretierung voor de optie vergiftiging door morfine kozen? Zouden zij tot eenzelfde conclusie gekomen zijn wat betreft Leonie Ablay en Jaak Vandenkerckhove als prof. Gustave Bruylants geen morfine in Alfred Ablays lichaam aangetroffen had?
Blijkbaar had de chemicus het moeilijk met deze wijze van interpretatie van zijn onderzoeksresultaten, getuige hiervan het statement dat zijn kleinzoon Albert Bruylants deed in de reeds vernoemde biografie (vertaald, zie bijvoegsel):
“Telkens mijn grootvader de zaak Joniaux aanhaalde voor zijn studenten zei hij hen:”Dat hij, die op zoek is naar gemoedsrust, zich niet inlate met gerechtelijke expertises”.”
Hieruit concluderen wij dat prof. Gustave Bruylants, belast met de chemische analyse van het bewijsmateriaal in de zaak Joniaux, van mening was dat er onvoldoende medisch wetenschappelijke argumenten waren om ondubbelzinnig te kunnen spreken van moedwillige vergiftiging. Of de openbare aanklager, de rechters, maar vooral de jury deze gedachtegang volgden, zullen we in de volgende afleveringen bespreken.



17 februari 2010
Aflevering 101: Het Proces
Waarom spenderen we zoveel aandacht aan de perikelen rond Mevr. Joniaux-Ablay, een dame die weliswaar gehuwd was met een Joniaux naamgenoot, maar die biologisch gezien geen Joniaux nakomelingen heeft gehad? Is dit misschien enige vorm van sensatiezucht waaraan we niet konden weerstaan bij het redigeren van onze blog? Neen, beste lezer, helemaal niet. De commotie die deze zaak met zich meebracht had een rechtstreeks gevolg op de Joniaux familieleden van de beschuldigde in deze drievoudige moordaffaire en in het bijzonder op haar stiefzoon Charles, die later als Carlos de stamvader zou worden van zowat alle Latijns Amerikaanse Joniaux’. Het is niet alleen van groot belang deze hele affaire grondig te kennen teneinde de keuzes van deze emigrant te begrijpen, maar het laat eens te meer zien dat wij allen een product zijn van de omstandigheden waarin we wetens en willens, doch ook ongewild in verzeild geraken. Daarbij zullen wij, ook al handelt het hier over een gerechtszaak, erover waken helemaal geen recht te spreken, doch zoveel mogelijk als observator descriptief de historie te verhalen, wars van alle persoonlijke (voor-)oordelen.
Negen maanden na de aanhouding van Mevr. Joniaux-Ablay, op maandag 7 januari 1895,
ging het assisenproces tegen haar van start in het gerechtsgebouw te Antwerpen, de stad waar ze glorietijden had gekend, maar die haar nu leek uit te spuwen als was ze een brok onverteerbaar voedsel. Je kon in geen kroeg komen (en die waren er bij de vleet in deze grote havenstad), of er werd over de zaak gedebatteerd en het was duidelijk dat het gewone volk, opgehitst door sommige kranten, reeds op voorhand een oordeel had geveld.
Om jullie als lezer van op de eerste rij deze gerechtszaak te laten volgen, bespreken we hier in het kort de protagonisten. De beschuldigde, haar naaste familie, onderzoeksrechter Hayoit en beide advocaten van de verdediging kenden we reeds uit de vorige afleveringen.
Een assisenzaak wordt begeleid door 3 rechters. Als voorzitter voor deze zaak werd Mr. Holvoet aangesteld. Een mogelijks niet onbelangrijk detail betreffende deze magistraat is het feit dat hij in 1858 de eed aflegde samen met zijn collega en vriend Bernays, de man die, zoals we vorige aflevering vermeldden, in 1882 vermoord werd door de gebroeders Peltzer, die, oh ironie, tijdens hun gerechtszaak verdedigd werden door… Mr. Graux, die hier opnieuw als verdediger in een moordzaak voor het hof verschijnt. Om een zo onpartijdig mogelijk verloop van het proces te krijgen werd en wordt een voorzitter van het assisenhof bijgestaan door 2 rechters, in dit geval Mr. Moureau en Mr. Op de Beeck. Mr. Moureau had men enkele jaren voordien aan het werk gezien als voorzitter van het hof in het proces dat gehouden werd na de ramp van Corvilain in 1889 waarbij tijdens een reeks explosies in een Antwerpse munitiefabriek 95 mensen het leven lieten.
Als griffier werd Dhr. Nolis aangesteld. De rol van openbare aanklager werd vertolkt door de 38-jarige Mr. Servais, die geroemd werd omwille van zijn redenaarstalent. Bijgevoegd vindt een overzicht van de gerechtszaal en een pagina uit L’illustration van die tijd.
1 Mr. Holvoet,voorzitter van het hof
2 en 3 Mr Moureau en Mr. Op de Beeck, rechters
4 Dhr. Nolis, griffier
5 Mr. Servais, openbare aanklager
6 jury
7 getuigen
8 Mr. Graux en Mr. Hendrickx, advocaten van de verdediging
9 Mevr. Joniaux-Ablay, beschuldigde
10 rijkswachters
11 geschreven pers
12 leden van de balie
13 publiek
14 kachel (niet onbelangrijk, het was winter)
“De Procureur-Generaal bij het Beroepshof van Brussel verklaart dat het Hof bij besluit van drij september achtienhonderdvierennegentig, heeft voor het Assisenhof der provincie Antwerpen verzonden Ablay, Maria Theresia Josefa, echtgenote Joniaux, Alidor Hendrik, geboren te Mechelen, op 15 october 1844, zonder beroep, woonachtig te Antwerpen, in hechtenis, beticht van de misdaad voorzien door artikels 392, 393 en 397 van het Strafwetboek.
Bijgevolg heeft ondergetekende Procureur-Generaal huidige beschuldigingact opgesteld, door welken hij zegt dat, uit de stukken van het proces, de volgende feiten en bijzonderheden blijken:…”
Negen maanden na de aanhouding van Mevr. Joniaux-Ablay, op maandag 7 januari 1895,
ging het assisenproces tegen haar van start in het gerechtsgebouw te Antwerpen, de stad waar ze glorietijden had gekend, maar die haar nu leek uit te spuwen als was ze een brok onverteerbaar voedsel. Je kon in geen kroeg komen (en die waren er bij de vleet in deze grote havenstad), of er werd over de zaak gedebatteerd en het was duidelijk dat het gewone volk, opgehitst door sommige kranten, reeds op voorhand een oordeel had geveld.
Om jullie als lezer van op de eerste rij deze gerechtszaak te laten volgen, bespreken we hier in het kort de protagonisten. De beschuldigde, haar naaste familie, onderzoeksrechter Hayoit en beide advocaten van de verdediging kenden we reeds uit de vorige afleveringen.
Een assisenzaak wordt begeleid door 3 rechters. Als voorzitter voor deze zaak werd Mr. Holvoet aangesteld. Een mogelijks niet onbelangrijk detail betreffende deze magistraat is het feit dat hij in 1858 de eed aflegde samen met zijn collega en vriend Bernays, de man die, zoals we vorige aflevering vermeldden, in 1882 vermoord werd door de gebroeders Peltzer, die, oh ironie, tijdens hun gerechtszaak verdedigd werden door… Mr. Graux, die hier opnieuw als verdediger in een moordzaak voor het hof verschijnt. Om een zo onpartijdig mogelijk verloop van het proces te krijgen werd en wordt een voorzitter van het assisenhof bijgestaan door 2 rechters, in dit geval Mr. Moureau en Mr. Op de Beeck. Mr. Moureau had men enkele jaren voordien aan het werk gezien als voorzitter van het hof in het proces dat gehouden werd na de ramp van Corvilain in 1889 waarbij tijdens een reeks explosies in een Antwerpse munitiefabriek 95 mensen het leven lieten.
Als griffier werd Dhr. Nolis aangesteld. De rol van openbare aanklager werd vertolkt door de 38-jarige Mr. Servais, die geroemd werd omwille van zijn redenaarstalent. Bijgevoegd vindt een overzicht van de gerechtszaal en een pagina uit L’illustration van die tijd.
1 Mr. Holvoet,voorzitter van het hof
2 en 3 Mr Moureau en Mr. Op de Beeck, rechters
4 Dhr. Nolis, griffier
5 Mr. Servais, openbare aanklager
6 jury
7 getuigen
8 Mr. Graux en Mr. Hendrickx, advocaten van de verdediging
9 Mevr. Joniaux-Ablay, beschuldigde
10 rijkswachters
11 geschreven pers
12 leden van de balie
13 publiek
14 kachel (niet onbelangrijk, het was winter)
En zo gebeurde het dat op die maandag 7 januari 1895 griffier Nolis het proces opende met het voorlezen van de beschuldigingakte:
“De Procureur-Generaal bij het Beroepshof van Brussel verklaart dat het Hof bij besluit van drij september achtienhonderdvierennegentig, heeft voor het Assisenhof der provincie Antwerpen verzonden Ablay, Maria Theresia Josefa, echtgenote Joniaux, Alidor Hendrik, geboren te Mechelen, op 15 october 1844, zonder beroep, woonachtig te Antwerpen, in hechtenis, beticht van de misdaad voorzien door artikels 392, 393 en 397 van het Strafwetboek.
Bijgevolg heeft ondergetekende Procureur-Generaal huidige beschuldigingact opgesteld, door welken hij zegt dat, uit de stukken van het proces, de volgende feiten en bijzonderheden blijken:…”
11 februari 2010
Aflevering 100: Aanloop naar het proces
Het forensisch toxicologisch onderzoek op de drie lijken bracht enkel in het geval van Alfred Ablay, het laatste vermoedelijke slachtoffer, de aanwezigheid van kristallen aan het licht die toegeschreven konden worden aan het al dan niet opzettelijke gebruik van morfine. Voor sommigen pleitte deze vaststelling in het voordeel van Mevr. Joniaux-Ablay. Ze werd immers beschuldigd van drievoudige moord en voorlopig wees niets erop dat er in het geval van Leonie Ablay en Jaak Vandenkerckhove sprake was van een onnatuurlijke doodsoorzaak. Onderzoeksrechter Hayoit meende echter voldoende elementen te bezitten om verder te gaan met deze zaak. Het motief, één van de belangrijke onderzoekspijlers, was volgens hem overduidelijk. De verdachte had een chronisch geldgebrek en ze zette alle scrupules, die een normaal denkend mens ervan weerhouden vreselijke oplossingen voor dit probleem te vinden, aan de kant. Hij verzamelde op een uiterst grondige wijze alle bewijselementen bij elkaar ter voorbereiding van het proces.
Maar ook de familie Joniaux-Ablay bereidde zich voor op een gerechtelijke titanenstrijd, terwijl het publiek zich verkneukelde op het spektakel dat dit zonder twijfel met zich mee zou brengen. Om voldoende tegengewicht in de strijd te kunnen werpen, werden niemand minder dan Mr. Charles Graux en Mr. Paul Hendrickx verzocht de verdediging op zich te nemen. Mr. Paul Hendrickx was een bijzondere pleiter voor handels- en burgerlijke zaken. Zijn confraters aan de balie van Antwerpen waren ten zeerste benieuwd hem aan het werk te zien in dit crimineel proces. Mr. Charles Graux was een echte zwaargewicht inzake strafrechtelijke dossiers. Hij was doctor in de rechten, advocaat , hoogleraar aan de Vrije Universiteit van Brussel en een vooraanstaand vrijmetselaar. Van 1878 tot 1884 was hij liberaal parlementslid en minister van Financiën. Onder druk van de bevolking die zijn vermeende verspillingen en hatelijke belastingen beu waren, moest hij de ministerspost opgeven. Ook al was iedereen het erover eens dat hij een getalenteerd pleiter was, kan men zich de vraag stellen of dit een juiste keuze was voor een assisenzaak waarin een volksjury uitspraak moet doen. Zo trad hij in het jaar 1882 op als verdediger van de gebroeders Peltzer, die in een geruchtmakend proces beiden de doodstraf kregen wegens de uitvoering (Léon Peltzer) en de beraming (Armand Peltzer) van de moord op Guillaume Bernays.
Om de onschuld van Mevr. Joniaux-Ablay te kunnen aantonen werden niet minder dan 61 getuigen ten ontlaste verzameld. We willen jullie, lezers, deze lijst niet onthouden omdat zij goed de entourage schildert waarin het gezin vertoefde in die dagen.
Maar ook de familie Joniaux-Ablay bereidde zich voor op een gerechtelijke titanenstrijd, terwijl het publiek zich verkneukelde op het spektakel dat dit zonder twijfel met zich mee zou brengen. Om voldoende tegengewicht in de strijd te kunnen werpen, werden niemand minder dan Mr. Charles Graux en Mr. Paul Hendrickx verzocht de verdediging op zich te nemen. Mr. Paul Hendrickx was een bijzondere pleiter voor handels- en burgerlijke zaken. Zijn confraters aan de balie van Antwerpen waren ten zeerste benieuwd hem aan het werk te zien in dit crimineel proces. Mr. Charles Graux was een echte zwaargewicht inzake strafrechtelijke dossiers. Hij was doctor in de rechten, advocaat , hoogleraar aan de Vrije Universiteit van Brussel en een vooraanstaand vrijmetselaar. Van 1878 tot 1884 was hij liberaal parlementslid en minister van Financiën. Onder druk van de bevolking die zijn vermeende verspillingen en hatelijke belastingen beu waren, moest hij de ministerspost opgeven. Ook al was iedereen het erover eens dat hij een getalenteerd pleiter was, kan men zich de vraag stellen of dit een juiste keuze was voor een assisenzaak waarin een volksjury uitspraak moet doen. Zo trad hij in het jaar 1882 op als verdediger van de gebroeders Peltzer, die in een geruchtmakend proces beiden de doodstraf kregen wegens de uitvoering (Léon Peltzer) en de beraming (Armand Peltzer) van de moord op Guillaume Bernays.
Om de onschuld van Mevr. Joniaux-Ablay te kunnen aantonen werden niet minder dan 61 getuigen ten ontlaste verzameld. We willen jullie, lezers, deze lijst niet onthouden omdat zij goed de entourage schildert waarin het gezin vertoefde in die dagen.
- Bède, ingenieur, Boschvoorde
- Echtg. Bède
- Berckmans, drogist, Antwerpen
- Braconnier, commandant, Gent
- Buckenhoudt, drogist, Brussel
- Rruynsseels, kleermaakster, Mechelen
- Courouble, advocaat, Brussel
- Echtg. Courouble
- Cotils, apotheker, Antwerpen
- Claudot, geneesheer, Gent
- Weduwe Hollander, Brussel
- Valentin Dealnéve, Antwerpen
- Loze, handelaar, Issy-sur-Seine
- Quarré, rentenier, Brussel
- Teugeling, dienstmeid bij M. Couroble, Brussel
- Bax, dienstmeid, Antwerpen
- Charles Joniaux, stiefzoon, student, Antwerpen
- Grégoire, Kruidenier, Brussel
- Letellier, aannemer, Parijs
- Derveng, rentenier, Elsene
- Delacre, apotheker, Brussel
- Desguin, geneesheer, Antwerpen
- Weduwe Georges, conciërge van Alfred Ablay, Parijs
- P. Janson, advocaat, Brussel
- Jottrand, geneesheer, Brussel
- Spiers, herbergierster, Etterbeek
- Echtg. Lynen Bède, Brussel
- Marteau, fabrikant, Parijs
- Revol, kassier, Parijs
- Henri Joniaux, echtgenoot van de beschuldigde, Antwerpen
- Joniaux Marguerite, stiefdochter van de beschuldigde
- Joniaux Martha, id
- Echtg. Schaeffer, Berchem
- Echtg. Devaux, pianiste, Brussel
- Mej. Poirson, toneelzangeres, Brussel
- De Brabander, eigenaar, Boschvoorde
- Lange, dienstmeid, Brussel
- Tchsaggeny, eigenaar, Brussel
- Kolonel Huet, Brussel
- Thys, griffier bij het verbrekingshof van Brussel
- Commandant Thiébauld, Brussel
- Reusens, handelaar, Spa
- Anatole de Prat, Antwerpen
- Van Beeck, advocaat, Antwerpen
- Kollach, kassier, Parijs
- Klein, ingenieur, Nettach (Pruisen)
- Ch. Pecher, Brussel
- Generaal Van Alderweireld, Luik
- Commandant de Zérézo de Tejada, Brussel
- Kolonel Theunis, Luik
- Majoor Van de Velde, Brussel
- Willemaers, procureur des Konings, Brussel
- Maurice Salzberger, advocaat, Brussel
- Benoit, bediende, Brussel
- Beeckman, bestuurder van verkopingen, Brussel
- Commandant Ameye, Doornik
- Stiémon, geneesheer, Brussel
- Dallemagne, geneesheer, Brussel
- Depaire, scheikundige, Brussel
- Chaudeloy, geneesheer-scheikundige, Luik
- Minot, deskundige in geschriften, Elsene
02 februari 2010
Aflevering 099: De arrestatie
Op dinsdag 17 april 1894 om 20u30 ’s avonds werd Mevr. Maria Theresia Josephina Ablay, echtgenote uit een tweede huwelijk met Alidor Henri Joniaux en dus stiefmoeder van Marie Marguerite Joséphina Jeanne Joniaux, Charles Marie Georges Henri Joseph Joniaux en Marthe Marie Henriette Jeanne Joniaux, aangehouden en in verdenking gesteld van drievoudige moord door vergiftiging op haar zus Leonie Ablay, de oom van haar man Jacques Vandenkerckhove en haar broer Alfred Ablay.
Tijdens de vorige aflevering van de Joniaux Saga maakten we in een korte uitweiding kennis met de misdaadaffaire die gekend is als de seriemoord van Jack The Ripper in Londen. Deze ophefmakende zaak werd wereldwijd verspreid door de geschreven pers en de invloed ervan op de besluitvorming van de gerechtelijke instanties en op de publieke opinie was van groot belang.
De geruchten, die sinds enige tijd de ronden deden in de “affaire Joniaux”, zes jaar na Jack The Ripper, gaven ertoe aanleiding dat de kranten “opgewarmd aan de aftrap verschenen”. De inhechtenisneming van de hoofdverdachte haalde dan ook letterlijk het wereldnieuws. Niet enkel kranten in België kopten met grote letters op de voorpagina’s het sensationele nieuws, doch ook de pers in Nederland, Frankrijk, Duitsland, ja zelfs in Australië, Nieuw Zeeland, Canada en de Verenigde Staten onderhielden nauw contact met hun correspondenten en berichtten hun lezers over de schokkende gebeurtenissen.
Zoals je in de eerste blogafleveringen hebt kunnen lezen, nu 2 jaar geleden, was de herkomst van de Ecuadoraanse naamgenoten één van de pijlers van ons onderzoek. We hadden beperkte gegevens over de ouders van Carlos Joniaux, die de stamhouder is van zowat alle Zuid-Amerikaanse Joniaux’. We wisten dat zijn vader, een ingenieur, Henri heette en zijn moeder had als achternaam Dumon(t). Ze zouden afkomstig zijn van Brussel, maar daar hield het ook bij op. Jarenlang zochten we tevergeefs naar aanknopingspunten tot op zeker ogenblik de archieven van de New York Times gedigitaliseerd werden. In een artikel van 19 april 1894 (klik hier) werd bij aanhouding van “madame Joniaux” haar man Henri Joniaux genoemd. Zelfs zijn beroep als ingenieur bij de Dienst Bruggen en Wegen bleek te kloppen. Eindelijk hadden we een aanknopingspunt. Vandaar konden we op zoek naar Belgische kranten uit die periode en we konden de hierin gevonden informatie toetsen aan officiële archieven zoals de geboorte-, huwelijks en overlijdensregisters. Deze informatie hebben we dan opnieuw in chronologische volgorde geplaatst en in opeenvolgende blogafleveringen gepresenteerd.
De aanhouding van Madame Joniaux, zoals ze overal genoemd werd, gebeurde na een laatste ondervraging door de onderzoeksrechter in tegenwoordigheid van wetsdokter van Vyve. Ze probeerde zich kranig te houden en op het moment dat ze afgevoerd zou worden, vroeg ze om haar regenscherm te mogen afgeven aan haar man, die buiten op haar wachtte. Dit werd haar geweigerd. Geflankeerd door twee gendarmen werd zij met een rijtuig afgevoerd naar de gevangenis in de Begijnenstraat te Antwerpen…
Tijdens de vorige aflevering van de Joniaux Saga maakten we in een korte uitweiding kennis met de misdaadaffaire die gekend is als de seriemoord van Jack The Ripper in Londen. Deze ophefmakende zaak werd wereldwijd verspreid door de geschreven pers en de invloed ervan op de besluitvorming van de gerechtelijke instanties en op de publieke opinie was van groot belang.
De geruchten, die sinds enige tijd de ronden deden in de “affaire Joniaux”, zes jaar na Jack The Ripper, gaven ertoe aanleiding dat de kranten “opgewarmd aan de aftrap verschenen”. De inhechtenisneming van de hoofdverdachte haalde dan ook letterlijk het wereldnieuws. Niet enkel kranten in België kopten met grote letters op de voorpagina’s het sensationele nieuws, doch ook de pers in Nederland, Frankrijk, Duitsland, ja zelfs in Australië, Nieuw Zeeland, Canada en de Verenigde Staten onderhielden nauw contact met hun correspondenten en berichtten hun lezers over de schokkende gebeurtenissen.
Zoals je in de eerste blogafleveringen hebt kunnen lezen, nu 2 jaar geleden, was de herkomst van de Ecuadoraanse naamgenoten één van de pijlers van ons onderzoek. We hadden beperkte gegevens over de ouders van Carlos Joniaux, die de stamhouder is van zowat alle Zuid-Amerikaanse Joniaux’. We wisten dat zijn vader, een ingenieur, Henri heette en zijn moeder had als achternaam Dumon(t). Ze zouden afkomstig zijn van Brussel, maar daar hield het ook bij op. Jarenlang zochten we tevergeefs naar aanknopingspunten tot op zeker ogenblik de archieven van de New York Times gedigitaliseerd werden. In een artikel van 19 april 1894 (klik hier) werd bij aanhouding van “madame Joniaux” haar man Henri Joniaux genoemd. Zelfs zijn beroep als ingenieur bij de Dienst Bruggen en Wegen bleek te kloppen. Eindelijk hadden we een aanknopingspunt. Vandaar konden we op zoek naar Belgische kranten uit die periode en we konden de hierin gevonden informatie toetsen aan officiële archieven zoals de geboorte-, huwelijks en overlijdensregisters. Deze informatie hebben we dan opnieuw in chronologische volgorde geplaatst en in opeenvolgende blogafleveringen gepresenteerd.
De aanhouding van Madame Joniaux, zoals ze overal genoemd werd, gebeurde na een laatste ondervraging door de onderzoeksrechter in tegenwoordigheid van wetsdokter van Vyve. Ze probeerde zich kranig te houden en op het moment dat ze afgevoerd zou worden, vroeg ze om haar regenscherm te mogen afgeven aan haar man, die buiten op haar wachtte. Dit werd haar geweigerd. Geflankeerd door twee gendarmen werd zij met een rijtuig afgevoerd naar de gevangenis in de Begijnenstraat te Antwerpen…
26 januari 2010
Aflevering 098: In het kielzog van Jack The Ripper
Het gezin Joniaux-Ablay stond in het voorjaar 1894 onder zware psycho- emotionele druk. Op basis van de niet aflatende geruchten was er immers een gerechtelijk onderzoek ingesteld naar het overlijden van drie verwanten in 1892, 1893 en 1894 in hun huis aan de Nerviërsstraat 33 te Antwerpen. De bestuurder van de verzekeringsmaatschappij Gresham had, na een gesprek met Dhr. en Mevr. Joniaux-Ablay, aan de procureur zijn beschuldigende vermoedens geuit, zodat Dhr. Hayoit als onderzoeksrechter zijn tanden in de zaak zette.
En deze laatste nam zijn taak zeer ernstig. Hij trommelde aanstonds een klein leger gerenommeerde medische en scheikundige deskundigen op en liet het huis aan de Nerviërstraat 24 uur op 24 in de gaten houden door agenten in burger. Elk komen en gaan werd geregistreerd en kon eventueel van belang zijn in het onderzoek.
Dit verontrustende thrillerklimaat moet alle leden van het gezin bij de keel gegrepen hebben. In de eerste plaats ging de aandacht naar Mevr. Joniaux-Ablay, maar natuurlijk waren ook echtgenoot Alidor Henri Joniaux en de kinderen onderwerp van het onderzoek. De dochter van Marie Therese uit haar vorige huwelijk met Dhr. Fréderik Faber, Jeanne Faber, was intussen gehuwd, maar de drie kinderen van Alidor Henri uit zijn huwelijk met zijn inmiddels overleden echtgenote Ida Dumon, allen rond de 20 jaar en jonger, waren nog inwonend. Minstens één van beide dochters was op internaat Sacré-Coeur in het Luikse Bois l’Evêque. Dit kwamen we te weten uit de onderzoeken van Dhr. Hayoit. Het gezin had daar volgens de speurder nog een openstaande rekening van kostgeld. Aanvankelijk werden we door een foto die we vonden , genomen in de gymnastiekzaal van het internaat, op een verkeerd been gezet. Gezien er op de foto (hier bijgevoegd) turnringen te zien zijn en wij vermoedden dat meisjes in die tijd deze discipline niet deden, gingen we er van uit de het zoon Charles was die hier school liep. Dit was voor ons van belang, want mogelijks konden we via deze weg meer informatie over zijn levensloop bekomen. Toch bleek weldra dat de school van Bois l’Evêque wel degelijk een meisjesinternaat was (zie ook de naaimachines), zodat verdere exploratie van deze denkpiste voor ons minder interessant werd.


En deze laatste nam zijn taak zeer ernstig. Hij trommelde aanstonds een klein leger gerenommeerde medische en scheikundige deskundigen op en liet het huis aan de Nerviërstraat 24 uur op 24 in de gaten houden door agenten in burger. Elk komen en gaan werd geregistreerd en kon eventueel van belang zijn in het onderzoek.
Dit verontrustende thrillerklimaat moet alle leden van het gezin bij de keel gegrepen hebben. In de eerste plaats ging de aandacht naar Mevr. Joniaux-Ablay, maar natuurlijk waren ook echtgenoot Alidor Henri Joniaux en de kinderen onderwerp van het onderzoek. De dochter van Marie Therese uit haar vorige huwelijk met Dhr. Fréderik Faber, Jeanne Faber, was intussen gehuwd, maar de drie kinderen van Alidor Henri uit zijn huwelijk met zijn inmiddels overleden echtgenote Ida Dumon, allen rond de 20 jaar en jonger, waren nog inwonend. Minstens één van beide dochters was op internaat Sacré-Coeur in het Luikse Bois l’Evêque. Dit kwamen we te weten uit de onderzoeken van Dhr. Hayoit. Het gezin had daar volgens de speurder nog een openstaande rekening van kostgeld. Aanvankelijk werden we door een foto die we vonden , genomen in de gymnastiekzaal van het internaat, op een verkeerd been gezet. Gezien er op de foto (hier bijgevoegd) turnringen te zien zijn en wij vermoedden dat meisjes in die tijd deze discipline niet deden, gingen we er van uit de het zoon Charles was die hier school liep. Dit was voor ons van belang, want mogelijks konden we via deze weg meer informatie over zijn levensloop bekomen. Toch bleek weldra dat de school van Bois l’Evêque wel degelijk een meisjesinternaat was (zie ook de naaimachines), zodat verdere exploratie van deze denkpiste voor ons minder interessant werd.
Op het hele gezin moet de druk vanuit de publieke opinie enorm geweest zijn. Slechts een zestal jaar voordien, in het najaar van 1888, stond heel Londen, Groot-Brittannië en zelfs de rest van de wereld in rep en roer na een serie afgrijselijke moorden waarvan de dader nooit gevonden werd, maar die de naam Jack The Ripper toegewezen kreeg. Het belang ervan in de misdaadgeschiedenis mag niet onderschat worden. Het was uiteraard niet de eerste seriemoord , maar wel de misdaad die als eerste door toedoen van de media een wereldwijde bekendheid kreeg. Zeker de conclusie van inspecteur Frederic Abberline, dat de dader moest gezocht worden in hogere kringen, gaf aanleiding tot de wildste speculaties. Zelfs op dit ogenblik wijzen de meeste denkpistes nog in de richting van het Brits koninklijk huis en de vrijmetselaarsloge. De onderzoekers zouden van hogerhand de mond zijn gesnoerd en de lagere sociale klasse zag het politieonderzoek dan ook als een spel blindemannetje (zie prent uit het tijdschrift Punch van 22 september 1888).
En blindemannetje was nu niet bepaald het spelletje dat onderzoeksrechter Dhr. Hayoit van plan was te spelen. Ook al waren de vermoedelijke slachtoffers in dit geval niet gruwelijk verminkt en kwamen ze zelf niet uit de lagere klasse (zoals dat in Londen het geval was geweest), toch zorgde de idee van een vrouwelijke gifmengster uit de “high society”, die zo koelbloedig en berekend zou zijn geweest dat ze leden uit haar familiekring vermoord zou hebben voor persoonlijk gewin ervoor, dat hij, Dhr. Hayoit, zich geen blunders kon veroorloven, wilde hij niet figuurlijk afgeslacht worden door de media die zich stilaan als gieren rond een kadaver begonnen te verzamelen…

20 januari 2010
Aflevering 097: Verdachte omstandigheden
Marie Thérese Ablay, echtgenote van Alidor Henri Joniaux, had Dhr. Dereine verzocht Mej. Roguès, partner van Alfred Ablay, op de hoogte te stellen van het overlijden van deze laatste. Dhr. Dereine meldde zich bij Mevr. Georges, de conciërge van Alfred Ablay. Samen bedachten ze de minst kwetsende manier om het slechte nieuws te melden aan de zieke Mej. Roguès. Er werd beslist dat Dhr. Dereine haar voorzichtig op de hoogte zou brengen en hij beklom de trap naar haar kamer.
Na een kwartiertje kwam hij in zeven haasten de trap afgehold. “Mevr. Georges, haast u, Mej. Roguès heeft zichzelf vergeven!” Mevr. Georges repte zich naar boven en zag inderdaad de dame op de grond liggen met een pillendoosje naast zich. Met dit doosje haastte ze zich naar de dichtstbijzijnde apotheker die onmiddellijk een antidotum gaf. Dit, samen met de goede zorgen van een intussen bijgeroepen arts, zorgde ervoor dat Mej. Roguès haar wanhoopsdaad overleefde. Mevr. Georges bracht de ouders van Mej. Roguès, die in Blois woonden, op de hoogte van de gebeurtenissen. Zij reisden naar Parijs en bleven voor haar zorgen in haar appartement in de rue Dulong, iets ten noordoosten van de Arc de Triomphe. Ook tegen hen bleef Mej. Roguès het voorgevoel dat zij had bij Alfreds vertrek naar Antwerpen herhalen. Dit was al het derde overlijden in toch wel mysterieuze omstandigheden ten huize van de familie Joniaux-Ablay.
Ook de verzekeringsmaatschappij Gresham, die de levensverzekering met Alfred Ablay afgesloten had, kwam deze geruchten ter ore en vond de gebeurtenissen op zijn minst bizar. Dhr. Perrin, bestuurder van Gresham, was enkele dagen na het overlijden van Alfred op de hoogte gesteld van zijn toch wel plotse heengaan en besloot Dhr. en Mevr. Joniaux-Ablay persoonlijk op te zoeken. Zijn gesprek met vooral Maria Therese was niet van die aard dat alle misverstanden de wereld uit geholpen waren, zodat hij op 13 maart 1894 wendde tot de procureur des Konings, de heer Berré. Deze op zijn beurt vond de bezwarende vermoedens ernstig genoeg om de zaak door te spelen aan de procureur-generaal. Er werd besloten een onderzoek te starten. Dit werd toevertrouwd aan onderzoeksrechter Dhr. Hayoit en aan substituut Dhr. Eeman.
Dhr. Hayoit beet zich onmiddellijk als een pitbull vast in de zaak. Om te beginnen bracht hij een bezoek aan de echtelingen Joniaux-Ablay en ondervroeg beiden. Vervolgens liet hij de lijken van Leonie Ablay in Buizingen, Jaak Vandenkerckhove in Gent en Alfred Ablay in Lubbeek opgraven. De artsen De Baisseux, Van Vyve en De Visscher werden met het onderzoek belast. De ingewanden van de op dat ogenblik vermoedelijke slachtoffers werden voor onderzoek bezorgd aan Dhr. Bruylants, professor te Leuven, en aan Dhr. Herman Druyts, scheikundige te Antwerpen.
De familie Joniaux-Ablay beleefden uiterst stresserende tijden. Zouden de onderzoeken hun onschuld aantonen of… kon het nog erger?
Na een kwartiertje kwam hij in zeven haasten de trap afgehold. “Mevr. Georges, haast u, Mej. Roguès heeft zichzelf vergeven!” Mevr. Georges repte zich naar boven en zag inderdaad de dame op de grond liggen met een pillendoosje naast zich. Met dit doosje haastte ze zich naar de dichtstbijzijnde apotheker die onmiddellijk een antidotum gaf. Dit, samen met de goede zorgen van een intussen bijgeroepen arts, zorgde ervoor dat Mej. Roguès haar wanhoopsdaad overleefde. Mevr. Georges bracht de ouders van Mej. Roguès, die in Blois woonden, op de hoogte van de gebeurtenissen. Zij reisden naar Parijs en bleven voor haar zorgen in haar appartement in de rue Dulong, iets ten noordoosten van de Arc de Triomphe. Ook tegen hen bleef Mej. Roguès het voorgevoel dat zij had bij Alfreds vertrek naar Antwerpen herhalen. Dit was al het derde overlijden in toch wel mysterieuze omstandigheden ten huize van de familie Joniaux-Ablay.
Ook de verzekeringsmaatschappij Gresham, die de levensverzekering met Alfred Ablay afgesloten had, kwam deze geruchten ter ore en vond de gebeurtenissen op zijn minst bizar. Dhr. Perrin, bestuurder van Gresham, was enkele dagen na het overlijden van Alfred op de hoogte gesteld van zijn toch wel plotse heengaan en besloot Dhr. en Mevr. Joniaux-Ablay persoonlijk op te zoeken. Zijn gesprek met vooral Maria Therese was niet van die aard dat alle misverstanden de wereld uit geholpen waren, zodat hij op 13 maart 1894 wendde tot de procureur des Konings, de heer Berré. Deze op zijn beurt vond de bezwarende vermoedens ernstig genoeg om de zaak door te spelen aan de procureur-generaal. Er werd besloten een onderzoek te starten. Dit werd toevertrouwd aan onderzoeksrechter Dhr. Hayoit en aan substituut Dhr. Eeman.
Dhr. Hayoit beet zich onmiddellijk als een pitbull vast in de zaak. Om te beginnen bracht hij een bezoek aan de echtelingen Joniaux-Ablay en ondervroeg beiden. Vervolgens liet hij de lijken van Leonie Ablay in Buizingen, Jaak Vandenkerckhove in Gent en Alfred Ablay in Lubbeek opgraven. De artsen De Baisseux, Van Vyve en De Visscher werden met het onderzoek belast. De ingewanden van de op dat ogenblik vermoedelijke slachtoffers werden voor onderzoek bezorgd aan Dhr. Bruylants, professor te Leuven, en aan Dhr. Herman Druyts, scheikundige te Antwerpen.
De familie Joniaux-Ablay beleefden uiterst stresserende tijden. Zouden de onderzoeken hun onschuld aantonen of… kon het nog erger?
12 januari 2010
Aflevering 096: Een derde lijk!
Alfred Ablay, schoonbroer van Alidor Henri Joniaux, voelde zich enige tijd na zijn aankomst in Antwerpen in februari 1894, niet zo best en bezocht op 5 maart Dr. Max in Brussel. Deze kon enkel wat huidirritatie vaststellen en concludeerde dat het een stoornis van maag en lever betrof, waarvoor hij een elixir voorschreef.
Na een bezoek aan hun zus Emilie Ablay, die enkele straten verderop woonde, vertrokken Alfred en Marie Therese opnieuw naar Antwerpen. Alfred had niets gegeten en enkel het voorgeschreven elixir gebruikt. Thuisgekomen (in de Nerviërsstraat) begaf hij zich rond 21.00 naar bed klagend over ongesteldheid en duizeligheid. Rond middernacht ging zijn zus nog eens op zijn kamer kijken of hij zijn lamp niet vergeten te doven was. Alfred voelde zich zeer onwel en was blij dat hij te bed lag.
’s Morgens rond 8.00 u ging Maria Therese kijken of zij haar broer een plezier kon doen met een ontbijt, maar zij trof hem buiten bewustzijn aan. Aanstonds ontbood zij dokter Willems…
Marie Roguès, de vriendin van Alfred Ablay, was helemaal niet blij geweest met het plan van haar vriend om een verzekering af te sluiten ten voordele van Mevr. Joniaux-Ablay. Zij had immers ook gehoord van de geruchten en ook zij had zo haar bedenkingen. Nochtans waren de betrekkingen tussen haar en Dhr. En Mevr. Joniaux-Ablay altijd positief geweest. Zo vergat Mevr. Joniaux nooit haar een bloementuil op te sturen voor haar naamdag en soms kwam ze zelfs op visite.
Op het ogenblik dat Alfred Ablay naar Antwerpen vertrok was Marie Roguès ziek en moest het bed houden. Daarom klopte hij alvorens Parijs te verlaten aan bij conciërge Mevr. Georges en zei haar: “Madame Georges, ik moet naar België voor eenige dagen. Ik bid u, zorg wel voor Mej. Roguès, ik zal spoedig terug zijn. Indien haar toestand mocht verergeren, neem dan uit de lade der kast die in de slaapkamer staat, papier en de gereed geschreven enveloppen en zend ze aan het geschreven adres te Antwerpen. Wat mij betreft, ik zal alle dagen schrijven. Wanneer mijne brieven toekomen, klop dan op de deur. Indien Marie niet zou antwoorden, dan is’t dat hare ziekte verergerd is. Doe in dit geval de deur open en help ze. Ik vertrek, doch ik ben niet gerust.”
Alfred Ablay hield woord. Dagelijks schreef hij een brief aan zijn gezellin. De laatste brief dagtekende “zondag 4 maart” en bevatte volgende woorden: “Mijn lieve Marie, ik kan dezen dag niet laten voorbij gaan zonder mij met u eenige minuten bezig gehouden te hebben…. (…) Ik zal den 8ste of de 9de ten laatste terug te Parijs zijn.”
De volgende dagen ontving Mej. Roguès geen brief hetgeen haar ten zeerste ontmoedigde. Ze deed meerder keren navraag bij de conciërge, maar Mevr. Georges kon haar geen positief nieuws geven. Marie Roguès werd wanhopig en riep uit:” Ah! In dat geval is hij dood!” Ze barstte in tranen uit en Mevr. Georges trachtte haar te kalmeren. ’s Vrijdags bood zich in de namiddag een heer, Dereine genaamd, aan bij Mevr. Georges. Hij had slecht nieuws… Alfred Ablay was op 6 maart overleden!
Na een bezoek aan hun zus Emilie Ablay, die enkele straten verderop woonde, vertrokken Alfred en Marie Therese opnieuw naar Antwerpen. Alfred had niets gegeten en enkel het voorgeschreven elixir gebruikt. Thuisgekomen (in de Nerviërsstraat) begaf hij zich rond 21.00 naar bed klagend over ongesteldheid en duizeligheid. Rond middernacht ging zijn zus nog eens op zijn kamer kijken of hij zijn lamp niet vergeten te doven was. Alfred voelde zich zeer onwel en was blij dat hij te bed lag.
’s Morgens rond 8.00 u ging Maria Therese kijken of zij haar broer een plezier kon doen met een ontbijt, maar zij trof hem buiten bewustzijn aan. Aanstonds ontbood zij dokter Willems…
Marie Roguès, de vriendin van Alfred Ablay, was helemaal niet blij geweest met het plan van haar vriend om een verzekering af te sluiten ten voordele van Mevr. Joniaux-Ablay. Zij had immers ook gehoord van de geruchten en ook zij had zo haar bedenkingen. Nochtans waren de betrekkingen tussen haar en Dhr. En Mevr. Joniaux-Ablay altijd positief geweest. Zo vergat Mevr. Joniaux nooit haar een bloementuil op te sturen voor haar naamdag en soms kwam ze zelfs op visite.
Op het ogenblik dat Alfred Ablay naar Antwerpen vertrok was Marie Roguès ziek en moest het bed houden. Daarom klopte hij alvorens Parijs te verlaten aan bij conciërge Mevr. Georges en zei haar: “Madame Georges, ik moet naar België voor eenige dagen. Ik bid u, zorg wel voor Mej. Roguès, ik zal spoedig terug zijn. Indien haar toestand mocht verergeren, neem dan uit de lade der kast die in de slaapkamer staat, papier en de gereed geschreven enveloppen en zend ze aan het geschreven adres te Antwerpen. Wat mij betreft, ik zal alle dagen schrijven. Wanneer mijne brieven toekomen, klop dan op de deur. Indien Marie niet zou antwoorden, dan is’t dat hare ziekte verergerd is. Doe in dit geval de deur open en help ze. Ik vertrek, doch ik ben niet gerust.”
Alfred Ablay hield woord. Dagelijks schreef hij een brief aan zijn gezellin. De laatste brief dagtekende “zondag 4 maart” en bevatte volgende woorden: “Mijn lieve Marie, ik kan dezen dag niet laten voorbij gaan zonder mij met u eenige minuten bezig gehouden te hebben…. (…) Ik zal den 8ste of de 9de ten laatste terug te Parijs zijn.”
De volgende dagen ontving Mej. Roguès geen brief hetgeen haar ten zeerste ontmoedigde. Ze deed meerder keren navraag bij de conciërge, maar Mevr. Georges kon haar geen positief nieuws geven. Marie Roguès werd wanhopig en riep uit:” Ah! In dat geval is hij dood!” Ze barstte in tranen uit en Mevr. Georges trachtte haar te kalmeren. ’s Vrijdags bood zich in de namiddag een heer, Dereine genaamd, aan bij Mevr. Georges. Hij had slecht nieuws… Alfred Ablay was op 6 maart overleden!
05 januari 2010
Aflevering 095: Alfred Ablay
Na de dood van Leonie Ablay en Jaak Vandenkerckhove kwamen geruchten op gang als zouden Alidor Henri Joniaux en zijn vrouw ergens de hand hebben gehad in beider overlijdens. Alfred Ablay , broer van Maria Theresia, had hen er attent opgemaakt dat sommige beschuldigingen zelfs afkomstig waren van nauwe familieleden. De gemoederen raakten verhit, doch alles bleef uiteindelijk bij het oude.
Deze aflevering willen we wijden aan de persoon van Alfred Ablay. We spraken reeds over hem in aflevering 065 en het is vast en zeker nuttig deze even te herlezen alvorens verder te gaan.
Alfred Ablay was oud-officier bij de ruiterij, doch hij had in 1874 ontslag moeten geven ten gevolge van door hem gemaakte schulden. Hij verliet het land en verbleef gedurende enkele jaren in Zuid-Amerika. Daarna bekleedde hij verschillende baantjes als bediende of kassier-boekhouder in België, Algerije en tenslotte Parijs. Zijn financiële toestand was lamentabel en hij werd regelmatig van geld voorzien door zijn schoonmoeder Mevr. Meskens, zijn zoon George en zijn zus Maria Theresia, echtgenote van Alidor Henri Joniaux.
Eind 1893- begin 1894 werden de levensomstandigheden van Alfred Ablay meer en meer precair. Hij was reeds werkeloos sinds 1 december 1892 en moest dringend aan geld zien te komen. Daarom stapte hij in Parijs, op aanraden van een vriend, naar de verzekeringsmaatschappij Compagnie des Assurances Génerales met volgend verzoek. Hij wilde een levensverzekering van 100.000 frank afsluiten ten gunste van zijn zus Maria Theresia. In ruil hiervoor zou zij de premies voor deze verzekering betalen en aan hem een jaargeld uitkeren. De verzekeringsmaatschappij stemde in met deze constructie en na het gebruikelijke geneeskundig onderzoek ondergaan te hebben, vertrok hij op 1 februari 1894 met de papieren op zak naar Antwerpen. Zodra de eerste premie zou betaald zijn, zou de regeling van kracht zijn. Door de zaken op deze wijze te regelen, zouden de (stief-)kinderen van het gezin Joniaux-Ablay, na een eventueel overlijden van Alfred enigszins vergoed worden voor de financiële schade die zij ondervonden door de veelvuldig geldelijk tegemoetkomingen die hun moeder deed voor haar broer.
In principe was Maria Theresia wel akkoord met de regeling, maar ze vond de som van 1.308,05 frank voor de driemaandelijkse premie te hoog, zodat ze Alfred voorstelde met de verzekeringsmaatschappij Gresham in zee te gaan. Zij had sinds januari bij deze maatschappij inlichtingen ingewonnen en had betere voorwaarden weten te bedingen. Om eenzelfde som van 100.000 frank uitbetaald te krijgen bij overlijden moest slechts 821,60 frank per kwartaal betaald worden gedurende de eerste jaren en pas daarna zou dit bedrag verhoogd worden.
Op 6 februari 1894 ondergaat Alfred ook voor deze maatschappij het obligate geneeskundig onderzoek en op 9 februari werd de overeenkomst door alle partijen ondertekend.
Op 5 maart 1894, zo schreef Alfred aan zijn vriendin Marie Roguès, die in Parijs was achtergebleven, vertrok hij naar Brussel. Daar wilde hij enerzijds Dhr. Depuich spreken in verband met een openstaande betrekking die Alidor Henri Joniaux, zijn schoonbroer, voor hem had geregeld. Anderzijds had hij afspraak met zijn advocaat om een overeenkomst met zijn zoon te onderhandelen betreffende zijn pensioen. ’s Namiddag consulteerde hij met zijn zus Marie Therese Dr. Max omdat hij zich reeds enige tijd wat ziek voelde…
Deze aflevering willen we wijden aan de persoon van Alfred Ablay. We spraken reeds over hem in aflevering 065 en het is vast en zeker nuttig deze even te herlezen alvorens verder te gaan.
Alfred Ablay was oud-officier bij de ruiterij, doch hij had in 1874 ontslag moeten geven ten gevolge van door hem gemaakte schulden. Hij verliet het land en verbleef gedurende enkele jaren in Zuid-Amerika. Daarna bekleedde hij verschillende baantjes als bediende of kassier-boekhouder in België, Algerije en tenslotte Parijs. Zijn financiële toestand was lamentabel en hij werd regelmatig van geld voorzien door zijn schoonmoeder Mevr. Meskens, zijn zoon George en zijn zus Maria Theresia, echtgenote van Alidor Henri Joniaux.
Eind 1893- begin 1894 werden de levensomstandigheden van Alfred Ablay meer en meer precair. Hij was reeds werkeloos sinds 1 december 1892 en moest dringend aan geld zien te komen. Daarom stapte hij in Parijs, op aanraden van een vriend, naar de verzekeringsmaatschappij Compagnie des Assurances Génerales met volgend verzoek. Hij wilde een levensverzekering van 100.000 frank afsluiten ten gunste van zijn zus Maria Theresia. In ruil hiervoor zou zij de premies voor deze verzekering betalen en aan hem een jaargeld uitkeren. De verzekeringsmaatschappij stemde in met deze constructie en na het gebruikelijke geneeskundig onderzoek ondergaan te hebben, vertrok hij op 1 februari 1894 met de papieren op zak naar Antwerpen. Zodra de eerste premie zou betaald zijn, zou de regeling van kracht zijn. Door de zaken op deze wijze te regelen, zouden de (stief-)kinderen van het gezin Joniaux-Ablay, na een eventueel overlijden van Alfred enigszins vergoed worden voor de financiële schade die zij ondervonden door de veelvuldig geldelijk tegemoetkomingen die hun moeder deed voor haar broer.
In principe was Maria Theresia wel akkoord met de regeling, maar ze vond de som van 1.308,05 frank voor de driemaandelijkse premie te hoog, zodat ze Alfred voorstelde met de verzekeringsmaatschappij Gresham in zee te gaan. Zij had sinds januari bij deze maatschappij inlichtingen ingewonnen en had betere voorwaarden weten te bedingen. Om eenzelfde som van 100.000 frank uitbetaald te krijgen bij overlijden moest slechts 821,60 frank per kwartaal betaald worden gedurende de eerste jaren en pas daarna zou dit bedrag verhoogd worden.
Op 6 februari 1894 ondergaat Alfred ook voor deze maatschappij het obligate geneeskundig onderzoek en op 9 februari werd de overeenkomst door alle partijen ondertekend.
Op 5 maart 1894, zo schreef Alfred aan zijn vriendin Marie Roguès, die in Parijs was achtergebleven, vertrok hij naar Brussel. Daar wilde hij enerzijds Dhr. Depuich spreken in verband met een openstaande betrekking die Alidor Henri Joniaux, zijn schoonbroer, voor hem had geregeld. Anderzijds had hij afspraak met zijn advocaat om een overeenkomst met zijn zoon te onderhandelen betreffende zijn pensioen. ’s Namiddag consulteerde hij met zijn zus Marie Therese Dr. Max omdat hij zich reeds enige tijd wat ziek voelde…
30 december 2009
Aflevering 094: De geruchtenmolen
Op iets meer dan een jaar tijd overleden geheel onverwachts ten huize van de familie Joniaux-Ablay te Antwerpen twee naaste familieleden die bij het gezin te gast waren. Zeker de dood van Jaak Vandenkerckhove kwam voor velen als een donderslag bij heldere hemel. Alhoewel hij een corpulent figuur was, leek hij toch in een goede gezondheid. Zo verklaarde generaal Kraus zelfs dat hij één of twee dagen voor zijn overlijden Jaak had gezien terwijl hij een bereden paard te voet, bijna lopende, volgde. Ook zijn eigen arts Dr. Godenne was verrast geweest door zijn plotse heengaan.
Langzaam maar zeker kwam de geruchtenmolen op gang. Mevr. Marie Theresia Joniaux-Ablay was in alle lagen van de bevolking een gekende figuur en haar gedrag veroorzaakte op meer dan één plaats afgunst en wrevel. Op het Parket kwamen de eerste brieven binnen waarin het woord “vergif” voorkwam. Blijkbaar hadden bepaalde personen hun eigen versie van de gebeurtenissen en kwaad opzet bij de beide overlijdens werd meer dan eens aangehaald.
Alidor Henri Joniaux werd door verwanten op de hoogte gebracht van wat er omging in het publiek. Zo schreef Alfred Ablay, broer van Marie Thérèse, die in Parijs woonde (zie ook aflevering 065) op 29 november 1893 een brief naar zijn schoonbroer met volgende woorden: “Iemand van onze familie zegt van u: ik wil niets gemeen met hem en ik vertel met genoegen overal dat het moordenaars zijn. De dood van hun oom en die van Leonie bij hen voorgevallen, geven er mij gelegenheid toe.”
Alidor Henri was ten zeerste verontwaardigd. Niet alleen het “publiek” sprak lasterende taal maar zelfs iemand van hun eigen familie beschuldigde hem en zijn vrouw zonder omwegen van de moord op hun familieleden. Als man van eer kon hij dit niet zo laten en hij begaf zich op 14 december 1893 naar procureur des Konings te Brussel, aangezien de persoon in kwestie in de hoofdstad woonde. Hij overhandigde de magistraat de brief die hij van Alfred Ablay ontvangen had en vroeg hem om advies.
Om iemand te kunnen aanklagen voor laster was er meer nodig dan een brief van derden. Hij adviseerde Alidor om twee personen van aanzien naar de desbetreffende persoon te sturen en hem met de geuite beschuldigingen te confronteren. Daarom wendde Alidor zich tot generaal V.A. te Antwerpen en kolonel d.V.d.F. te Leuven die deze taak op zich namen. De persoon in kwestie loochende schriftelijk en formeel op 22 december 1893 deze zaken ooit uitgesproken te hebben, doch dit weerhield Alfred Ablay er niet van bij zijn standpunt te blijven.
Officieel oordeelde het Parket het niet nodig nog verder belang te hechten aan de naamloze brieven. Er werd een dossier opgemaakt en de brieven werden geklasseerd en bewaard. Of hiermee een einde gekomen was aan de haatcampagne?!
Langzaam maar zeker kwam de geruchtenmolen op gang. Mevr. Marie Theresia Joniaux-Ablay was in alle lagen van de bevolking een gekende figuur en haar gedrag veroorzaakte op meer dan één plaats afgunst en wrevel. Op het Parket kwamen de eerste brieven binnen waarin het woord “vergif” voorkwam. Blijkbaar hadden bepaalde personen hun eigen versie van de gebeurtenissen en kwaad opzet bij de beide overlijdens werd meer dan eens aangehaald.
Alidor Henri Joniaux werd door verwanten op de hoogte gebracht van wat er omging in het publiek. Zo schreef Alfred Ablay, broer van Marie Thérèse, die in Parijs woonde (zie ook aflevering 065) op 29 november 1893 een brief naar zijn schoonbroer met volgende woorden: “Iemand van onze familie zegt van u: ik wil niets gemeen met hem en ik vertel met genoegen overal dat het moordenaars zijn. De dood van hun oom en die van Leonie bij hen voorgevallen, geven er mij gelegenheid toe.”
Alidor Henri was ten zeerste verontwaardigd. Niet alleen het “publiek” sprak lasterende taal maar zelfs iemand van hun eigen familie beschuldigde hem en zijn vrouw zonder omwegen van de moord op hun familieleden. Als man van eer kon hij dit niet zo laten en hij begaf zich op 14 december 1893 naar procureur des Konings te Brussel, aangezien de persoon in kwestie in de hoofdstad woonde. Hij overhandigde de magistraat de brief die hij van Alfred Ablay ontvangen had en vroeg hem om advies.
Om iemand te kunnen aanklagen voor laster was er meer nodig dan een brief van derden. Hij adviseerde Alidor om twee personen van aanzien naar de desbetreffende persoon te sturen en hem met de geuite beschuldigingen te confronteren. Daarom wendde Alidor zich tot generaal V.A. te Antwerpen en kolonel d.V.d.F. te Leuven die deze taak op zich namen. De persoon in kwestie loochende schriftelijk en formeel op 22 december 1893 deze zaken ooit uitgesproken te hebben, doch dit weerhield Alfred Ablay er niet van bij zijn standpunt te blijven.
Officieel oordeelde het Parket het niet nodig nog verder belang te hechten aan de naamloze brieven. Er werd een dossier opgemaakt en de brieven werden geklasseerd en bewaard. Of hiermee een einde gekomen was aan de haatcampagne?!
25 december 2009
Aflevering 093: Het testament
Op 17 maart 1893 brachten Leon en Alidor Henri Joniaux de onheilstijding bij Mej. V. W. dat haar partner Jaak Vandenkerckhove diezelfde ochtend rond 11 uur overleden was. De vrederechter die bij hen was vroeg Mej. V. W. hem in het huis te vergezellen om hem de waardevolle bezittingen in het huis te tonen. Zij deed dit en de rechter legde de zegels op de deur van het bureel van Jaak, op de geldkist en op een wastafel waarin kostbaar zilverwerk opgeborgen was.
Nadat de vrederechter en zijn griffier het huis verlaten hadden, bleven Mej. V. W., een vriendin van haar, de gebroeders Joniaux en enkele van Jaaks vrienden in de eetkamer achter. En zoals te verwachten kwam op zeker ogenblik het onderwerp “testament” naar voor. Eén van de aanwezigen (wij weten niet wie) was er vast van overtuigd dat Jaak een testament had laten opmaken, gezien hij nog steeds niet wettelijk gehuwd was met zijn levensgezellin.
Advocaat Mr. Fredericq werd ontboden en Mej. V.W. overhandigde hem het testament (dat zij blijkbaar in haar bezit had). Luidop las Mr. Fredericq het officiële document voor. Hierin werd de zoon van Mej. V. W., ter uitsluiting van alle anderen, enige erfgenaam en legataris, behalve voor wat betreft de eigendom in de luciferfabriek die Jaak bezat in Servië. Dit liet hij na aan zijn zus Hortense Vandenkerckhove en aan zijn “neven en nichten”, zonen en dochters van “mijner zusters”.
Dit laatste schept enige verwarring en wij, als onderzoekers, zijn nog niet geheel zeker van de ware betekenis van deze tekst. Dat Jaak neven had, dat was ons bekend. Namelijk: Alidor Henri, Leon en Hector Joniaux, zonen van Hortense Vandenkerckhove en Henri Joniaux. Maar wanneer hij spreekt over “nichten”, dan zou dat willen zeggen dat deze gebroeders nog zussen hadden. Ook is er nog een andere mogelijkheid. In “mijner zusters” kan de eind-s een genitief s zijn (van mijn zuster) of een meervoud-s (van meerdere zusters). We zijn nergens een zus van Hortense tegen gekomen en moeten dus (voorlopig) de juiste toedracht schuldig blijven.
Hoe dan ook, de nalatenschap van de luciferfabriek die Hortense erfde, werd belast met de som van 100.000 frank, die betaald moest worden aan de algemene legataris. De “stekskesfabriek”, waar Hector Joniaux bestuurder van was, werd dus eigendom van de “Joniaux-clan”.
Om meer informatie in te winnen over de luciferfabriek namen we contact op met Dhr. Danny Robben, die gezien kan worden als een autoriteit op het gebied van de geschiedenis van de lucifers in België. Hij vond het zeer vreemd dat Belgen in Servië een “stekskesfabriek” zouden bezeten hebben. Het verhaal was hem onbekend. Toch kunnen formeel bevestigen dat het verhaal klopt en we zullen hier ten gepaste tijde nog op terug komen.
In de volgende afleveringen van onze blog gaan we echter eerst dieper ingaan op de gevolgen van Jaaks overlijden op de familie Joniaux-Ablay. Tot dan!
Nadat de vrederechter en zijn griffier het huis verlaten hadden, bleven Mej. V. W., een vriendin van haar, de gebroeders Joniaux en enkele van Jaaks vrienden in de eetkamer achter. En zoals te verwachten kwam op zeker ogenblik het onderwerp “testament” naar voor. Eén van de aanwezigen (wij weten niet wie) was er vast van overtuigd dat Jaak een testament had laten opmaken, gezien hij nog steeds niet wettelijk gehuwd was met zijn levensgezellin.
Advocaat Mr. Fredericq werd ontboden en Mej. V.W. overhandigde hem het testament (dat zij blijkbaar in haar bezit had). Luidop las Mr. Fredericq het officiële document voor. Hierin werd de zoon van Mej. V. W., ter uitsluiting van alle anderen, enige erfgenaam en legataris, behalve voor wat betreft de eigendom in de luciferfabriek die Jaak bezat in Servië. Dit liet hij na aan zijn zus Hortense Vandenkerckhove en aan zijn “neven en nichten”, zonen en dochters van “mijner zusters”.
Dit laatste schept enige verwarring en wij, als onderzoekers, zijn nog niet geheel zeker van de ware betekenis van deze tekst. Dat Jaak neven had, dat was ons bekend. Namelijk: Alidor Henri, Leon en Hector Joniaux, zonen van Hortense Vandenkerckhove en Henri Joniaux. Maar wanneer hij spreekt over “nichten”, dan zou dat willen zeggen dat deze gebroeders nog zussen hadden. Ook is er nog een andere mogelijkheid. In “mijner zusters” kan de eind-s een genitief s zijn (van mijn zuster) of een meervoud-s (van meerdere zusters). We zijn nergens een zus van Hortense tegen gekomen en moeten dus (voorlopig) de juiste toedracht schuldig blijven.
Hoe dan ook, de nalatenschap van de luciferfabriek die Hortense erfde, werd belast met de som van 100.000 frank, die betaald moest worden aan de algemene legataris. De “stekskesfabriek”, waar Hector Joniaux bestuurder van was, werd dus eigendom van de “Joniaux-clan”.
Om meer informatie in te winnen over de luciferfabriek namen we contact op met Dhr. Danny Robben, die gezien kan worden als een autoriteit op het gebied van de geschiedenis van de lucifers in België. Hij vond het zeer vreemd dat Belgen in Servië een “stekskesfabriek” zouden bezeten hebben. Het verhaal was hem onbekend. Toch kunnen formeel bevestigen dat het verhaal klopt en we zullen hier ten gepaste tijde nog op terug komen.
In de volgende afleveringen van onze blog gaan we echter eerst dieper ingaan op de gevolgen van Jaaks overlijden op de familie Joniaux-Ablay. Tot dan!
15 december 2009
Aflevering 092: Een feest met dodelijke afloop...
Het gezin Joniaux-Ablay organiseerde op 16 maart 1893 een feestmaaltijd in hun woning aan de Nerviërsstraat 33 te Antwerpen ter gelegenheid van de promotie van Alidor Henri Joniaux tot hoofdingenieur 1ste klas bij de Dienst Bruggen en Wegen. Als genodigden waren buiten het gastgezin (zonder (stief-)dochter Jeanne en haar echtgenoot Oscar Mertens) aanwezig: de broers van Alidor Henri Joniaux, nl. Hector en Leon, hun moeder Hortense Joniaux-Vandenkerckhove en hun oom Jaak Vandenkerckhove.
In de loop van de vooravond, even nadat de dienstmeid de koffie had geserveerd, voelde Jaak Vandenkerckhove zich onwel; verontschuldigde zich en verliet de tafel om zich terug te trekken in één van de gastenkamers. De gesprekken aan de feesttafel gingen verder, doch toen ze op de bovenste verdieping stommelende geluiden hoorden, begon het gezelschap zich toch enigermate zorgen te maken. Alidor Henri en Leon gingen een kijkje nemen en troffen Jaak ernstig ziek aan zodat ze onmiddellijk Dr. Moritor ontboden. Toen deze rond 19.00 uur arriveerde, vond hij de toestand van de patiënt zo precair, dat hij een collega arts, Dr. Desguin, om bijkomend advies vroeg en op basis van de symptomen werd de diagnose “beroerte” gesteld.
Rond dezelfde tijd ontving Mej. V.W., ongehuwde levensgezellin van Jaak Vandenkerckhove en moeder van zijn 12-jarige zoontje, een telegram met de woorden:
“Keer dezen avond niet terug; ik blijf (getekend) Leon Jaak”
Ook al had Jaak haar vooraf te kennen gegeven dezelfde avond nog terug thuis te willen zijn, was ze niet verontrust door dit bericht. Zij was van mening dat hij zich goed vermaakte en daarom besloten had zijn bezoek te verlengen.
Toen ’s anderendaags rond 17.00 u bij Mej. V. W. in Gent werd aangebeld en Alidor Henri samen met zijn broer Leon zich aanboden, vergezeld van vrederechter D’Hoop en diens griffier, maar zonder Jaak, begon zij zich toch enigszins onbehaaglijk te voelen. Vooraf had Jaak Mej. V.W. op de hoogte gebracht van het feit dat Leon samen met majoor Timmermans en ene Mej. C. op bezoek zouden komen, maar nu bood zich, buiten Leon, een ander gezelschap aan. Leon, die hier vriend aan huis was, nam het woord:
“Madame, ik heb u eene slechte tijding aan te kondigen: mijn oom is overleden…”
Mej. V.W. voelde de grond onder haar voeten wegzinken…
In de loop van de vooravond, even nadat de dienstmeid de koffie had geserveerd, voelde Jaak Vandenkerckhove zich onwel; verontschuldigde zich en verliet de tafel om zich terug te trekken in één van de gastenkamers. De gesprekken aan de feesttafel gingen verder, doch toen ze op de bovenste verdieping stommelende geluiden hoorden, begon het gezelschap zich toch enigermate zorgen te maken. Alidor Henri en Leon gingen een kijkje nemen en troffen Jaak ernstig ziek aan zodat ze onmiddellijk Dr. Moritor ontboden. Toen deze rond 19.00 uur arriveerde, vond hij de toestand van de patiënt zo precair, dat hij een collega arts, Dr. Desguin, om bijkomend advies vroeg en op basis van de symptomen werd de diagnose “beroerte” gesteld.
Rond dezelfde tijd ontving Mej. V.W., ongehuwde levensgezellin van Jaak Vandenkerckhove en moeder van zijn 12-jarige zoontje, een telegram met de woorden:
“Keer dezen avond niet terug; ik blijf (getekend) Leon Jaak”
Ook al had Jaak haar vooraf te kennen gegeven dezelfde avond nog terug thuis te willen zijn, was ze niet verontrust door dit bericht. Zij was van mening dat hij zich goed vermaakte en daarom besloten had zijn bezoek te verlengen.
Toen ’s anderendaags rond 17.00 u bij Mej. V. W. in Gent werd aangebeld en Alidor Henri samen met zijn broer Leon zich aanboden, vergezeld van vrederechter D’Hoop en diens griffier, maar zonder Jaak, begon zij zich toch enigszins onbehaaglijk te voelen. Vooraf had Jaak Mej. V.W. op de hoogte gebracht van het feit dat Leon samen met majoor Timmermans en ene Mej. C. op bezoek zouden komen, maar nu bood zich, buiten Leon, een ander gezelschap aan. Leon, die hier vriend aan huis was, nam het woord:
“Madame, ik heb u eene slechte tijding aan te kondigen: mijn oom is overleden…”
Mej. V.W. voelde de grond onder haar voeten wegzinken…
09 december 2009
Aflevering 091: Het gezin Joniaux-Ablay in Antwerpen
Het gezin Joniaux-Ablay woonde in 1892 in de Nerviërsstraat 33 te Antwerpen. De zus van Mevr. Joniaux-Ablay, Leonie Ablay,die tijdelijk bij het gezin vertoefde, was na een korte ziekte overleden. Het niet aanzienlijke bedrag van haar levensverzekering was uitgekeerd op het hoofd van Jeanne Faber, de dochter van Mevr. Joniaux-Ablay uit haar vorig huwelijk met wijlen Fréderic Faber. Door deze plotse financiële boost, kon een rijkelijk huwelijksfeest tussen Jeanne Faber en haar verloofde Oscar Mertens plaatsvinden. Het gezin Joniaux-Ablay was immers in een financiële precaire situatie verzeild geraakt door mislukte speculaties en onachtzaamheid. Nu konden echter de schulden die zij hadden bij diverse personen terugbetaald worden en er bleek zelfs geld over voor een reis van Mevr. Joniaux-Ablay (Maria Théresia Ablay) en haar 20-jarige stiefdochter Marie Marguerite Joniaux naar Italië en Monaco.
Het doel van deze reis is voor ons onbekend. Waren ze gewoon toe aan wat ontspanning na het toch wel dramatisch overlijden van zus en tante Leonie Ablay of kriebelde het gokvirus bij Maria Théresia opnieuw? Mogelijks waren ze zelfs op zoek naar een geschikte partner voor de jonge Marie Marguerite en waar zou je zo iemand beter kunnen vinden dan in het mondaine Monaco?
Opnieuw thuisgekomen werd dit mondaine leven verder gezet ten huize van de familie Joniaux-Ablay. Regelmatig kwamen jonge advocaten en ingenieurs over de vloer. De dochters Joniaux leken fel gegeerd te zijn. Hoe kon het anders? Marie Théresia, hun stiefmoeder, organiseerde uitbundige soirees met hooggeplaatste genodigden. Hiervoor bouwde ze een indrukwekkend sociaal netwerk uit met baronnen en ridders die ze imponeerde met haar extravagante juwelen. Hier en daar stelde men zich hardop de vraag waar ze het geld vandaan bleven halen. Alidor Henri had weliswaar een meer dan behoorlijke jaarwedde bij de Dienst Bruggen en Wegen, maar echt spectaculair was dit toch ook niet. Er werd zelfs gefluisterd dat in de Nerviërsstraat voor grof geld gespeeld werd, zodat men toch een dubbel gevoel kreeg bij het zien van hun weelderig leven.
Intussen werkte Alidor Henri gestadig door aan zijn carrière als hoofdingenieur 2de klas bij de Dienst Bruggen en Wegen. Hij werd zelfs gepromoveerd tot hoofdingenieur 1ste klas. Bij die gelegenheid wilde het gezin Joniaux-Ablay een feestmaal geven op 16 maart 1893 voor een aantal familieleden, waaronder Alidor Henri’s oom langs moeders zijde: Jaak Vandekerckhove. Gezien deze laatste een belangrijke rol zal spelen in de volgende gebeurtenissen raden we de lezer aan afleveringen 021 en 022 nog eens opnieuw te lezen. Jaak had al een keertje moeten passen bij een eerste uitnodiging voor dit feest, hetgeen voor het gastgezin reden genoeg was om het uit te stellen. Nu kon Jaak niet meer weigeren en ondanks het feit dat hij de avond van tevoren nog een feestje in Café du Miroir te Gent had bijgewoond met vrienden stapte hij op 16 maart 1893 samen met majoor Timmermans in Gent op de trein richting Antwerpen…
Het doel van deze reis is voor ons onbekend. Waren ze gewoon toe aan wat ontspanning na het toch wel dramatisch overlijden van zus en tante Leonie Ablay of kriebelde het gokvirus bij Maria Théresia opnieuw? Mogelijks waren ze zelfs op zoek naar een geschikte partner voor de jonge Marie Marguerite en waar zou je zo iemand beter kunnen vinden dan in het mondaine Monaco?
Opnieuw thuisgekomen werd dit mondaine leven verder gezet ten huize van de familie Joniaux-Ablay. Regelmatig kwamen jonge advocaten en ingenieurs over de vloer. De dochters Joniaux leken fel gegeerd te zijn. Hoe kon het anders? Marie Théresia, hun stiefmoeder, organiseerde uitbundige soirees met hooggeplaatste genodigden. Hiervoor bouwde ze een indrukwekkend sociaal netwerk uit met baronnen en ridders die ze imponeerde met haar extravagante juwelen. Hier en daar stelde men zich hardop de vraag waar ze het geld vandaan bleven halen. Alidor Henri had weliswaar een meer dan behoorlijke jaarwedde bij de Dienst Bruggen en Wegen, maar echt spectaculair was dit toch ook niet. Er werd zelfs gefluisterd dat in de Nerviërsstraat voor grof geld gespeeld werd, zodat men toch een dubbel gevoel kreeg bij het zien van hun weelderig leven.
Intussen werkte Alidor Henri gestadig door aan zijn carrière als hoofdingenieur 2de klas bij de Dienst Bruggen en Wegen. Hij werd zelfs gepromoveerd tot hoofdingenieur 1ste klas. Bij die gelegenheid wilde het gezin Joniaux-Ablay een feestmaal geven op 16 maart 1893 voor een aantal familieleden, waaronder Alidor Henri’s oom langs moeders zijde: Jaak Vandekerckhove. Gezien deze laatste een belangrijke rol zal spelen in de volgende gebeurtenissen raden we de lezer aan afleveringen 021 en 022 nog eens opnieuw te lezen. Jaak had al een keertje moeten passen bij een eerste uitnodiging voor dit feest, hetgeen voor het gastgezin reden genoeg was om het uit te stellen. Nu kon Jaak niet meer weigeren en ondanks het feit dat hij de avond van tevoren nog een feestje in Café du Miroir te Gent had bijgewoond met vrienden stapte hij op 16 maart 1893 samen met majoor Timmermans in Gent op de trein richting Antwerpen…
03 december 2009
Aflevering 090: Joseph L. en Jules Richard Joniaux
Laat ons even teruggaan naar aflevering 082 waarin we het gezin van John B. Joniaux bespraken. John B. was de zoon van Theophile Joniaux, die op zijn beurt de zoon was van Jean Baptiste Joniaux, die in 1856 besloot België te verlaten om zijn geluk in de VS te beproeven.
John B. had, voor zover wij weten (en zoals we in deze aflevering 082 vertelden), 6 kinderen: twee meisjes en 4 jongens. Van aflevering 083 tot en met aflevering 089 werden de afstammelingen besproken van de oudste 4 kinderen. Bij onze opzoekingen hadden we heel wat geluk en we kunnen stellen dat deze gegevens vrij volledig en correct zijn. Mocht dit toch niet het geval zijn, dan verzoeken we de lezer ons hiervan op de hoogte te stellen.
Over de twee jongste kinderen kunnen we echter niet veel vertellen. Joseph L. Joniaux zou geboren zijn op 23 januari 1904 en overleden op 9 mei 1953. De afkorting USNR, die naar verluidt op zijn graf zou staan, wijst erop dat hij waarschijnlijk reservist was bij de zeemacht van het Amerikaans leger. De toevoeging WWI duidt dan weer op de Eerste Wereldoorlog. Dit lijkt eerder onlogisch, want bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was Joseph L. nauwelijks 10 jaar en bij het beëindigen 14 jaar. Daarenboven was de inbreng van de Amerikaanse Zeemacht in de Eerste Wereldoorlog eerder gering. Mogelijks zou de toevoeging dan ook WW II moeten zijn en dus slaan op de Tweede Wereldoorlog.
Opvallend is het feit dat van de zonen en schoonzonen van John B. de meesten in militaire dienst waren. Datzelfde lijkt het geval te zijn voor Jules Richard Joniaux, de jongste zoon. Zijn graf vinden we terug aan de andere zijde van de VS, dicht tegen de grens met Mexico; met name in San Diego. Op het kerkhof Fort Rosecrans National Cemetry kan je lezen dat Jules Richard Joniaux geboren was op 14 december 1907 en gestorven is op 4 juni 1993. Hier staat vermeldt: SGT USAAC. Hij was dus sergeant bij de Amerikaanse luchtmacht (United States Army Air Corps, dit is de voorloper van de United States Army Air Forces).
Al googlend vinden we in en rond San Diego meerdere naamgenoten Joniaux. Tot nog toe ben ik er niet in geslaagd met één van hen in contact te komen. Er moeten vast en zeker nakomelingen van Jules Richard tussen zitten. Daarom opnieuw een oproep aan onze lezers: wie kan ons in contact brengen met Joniaux’ in San Diego, afstammelingen van Jules Richard Joniaux en met afstammelingen van Joseph L. Joniaux, geboren in Wisconsin?
John B. had, voor zover wij weten (en zoals we in deze aflevering 082 vertelden), 6 kinderen: twee meisjes en 4 jongens. Van aflevering 083 tot en met aflevering 089 werden de afstammelingen besproken van de oudste 4 kinderen. Bij onze opzoekingen hadden we heel wat geluk en we kunnen stellen dat deze gegevens vrij volledig en correct zijn. Mocht dit toch niet het geval zijn, dan verzoeken we de lezer ons hiervan op de hoogte te stellen.
Over de twee jongste kinderen kunnen we echter niet veel vertellen. Joseph L. Joniaux zou geboren zijn op 23 januari 1904 en overleden op 9 mei 1953. De afkorting USNR, die naar verluidt op zijn graf zou staan, wijst erop dat hij waarschijnlijk reservist was bij de zeemacht van het Amerikaans leger. De toevoeging WWI duidt dan weer op de Eerste Wereldoorlog. Dit lijkt eerder onlogisch, want bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was Joseph L. nauwelijks 10 jaar en bij het beëindigen 14 jaar. Daarenboven was de inbreng van de Amerikaanse Zeemacht in de Eerste Wereldoorlog eerder gering. Mogelijks zou de toevoeging dan ook WW II moeten zijn en dus slaan op de Tweede Wereldoorlog.
Opvallend is het feit dat van de zonen en schoonzonen van John B. de meesten in militaire dienst waren. Datzelfde lijkt het geval te zijn voor Jules Richard Joniaux, de jongste zoon. Zijn graf vinden we terug aan de andere zijde van de VS, dicht tegen de grens met Mexico; met name in San Diego. Op het kerkhof Fort Rosecrans National Cemetry kan je lezen dat Jules Richard Joniaux geboren was op 14 december 1907 en gestorven is op 4 juni 1993. Hier staat vermeldt: SGT USAAC. Hij was dus sergeant bij de Amerikaanse luchtmacht (United States Army Air Corps, dit is de voorloper van de United States Army Air Forces).
Al googlend vinden we in en rond San Diego meerdere naamgenoten Joniaux. Tot nog toe ben ik er niet in geslaagd met één van hen in contact te komen. Er moeten vast en zeker nakomelingen van Jules Richard tussen zitten. Daarom opnieuw een oproep aan onze lezers: wie kan ons in contact brengen met Joniaux’ in San Diego, afstammelingen van Jules Richard Joniaux en met afstammelingen van Joseph L. Joniaux, geboren in Wisconsin?
24 november 2009
Aflevering 089: Ronald J en zijn (klein-)kinderen
Naast zijn twee dochters, wiens gezinnen we twee afleveringen geleden bespraken, had Edward Joniaux, achterkleinzoon van Jean Baptiste Joniaux twee zonen. De jongste, Ronald, werd geboren in 1936. Hij huwde met Annette Andre en zij kregen 5 kinderen: Chris, Denise, Maria, Jane en Patrice. We behandelen de gezinnen hiervan in deze aflevering. We zouden het ten zeerste op prijs stellen indien leden van deze gezinnen ons wat foto’s konden bezorgen en eventueel onze data wat konden bijvullen. Tevens zijn alle (levens-)verhalen van harte welkom.
Chris huwde Julie Deprey. Samen kregen zij twee dochters en een zoon: Jessica, Stephani en Ben Joniaux. De naam Joniaux gaat hier dus verder.
Denise huwde Jim Marach. Zij zetten de zonen Alex, Elliot en Dane op de wereld.
De tweede dochter Maria kreeg drie kinderen. Zij heten Kristen, Nick en Jenna. Gezien zij als achternaam de naam Zellner dragen, gaan we van de veronderstelling uit dat dit de vader is.
Jane huwde met Ken Delcore, die één kind Aja, mee in het huwelijk bracht. Samen kregen zij nog de dochters Katlynn, Julia en Claire.
Ook via de jongste dochter Patrice ging de Joniaux naam niet verder. Zij en haar echtgenoot Tom Marquardt kregen Collin en Carson als zonen.
Chris huwde Julie Deprey. Samen kregen zij twee dochters en een zoon: Jessica, Stephani en Ben Joniaux. De naam Joniaux gaat hier dus verder.
Denise huwde Jim Marach. Zij zetten de zonen Alex, Elliot en Dane op de wereld.
De tweede dochter Maria kreeg drie kinderen. Zij heten Kristen, Nick en Jenna. Gezien zij als achternaam de naam Zellner dragen, gaan we van de veronderstelling uit dat dit de vader is.
Jane huwde met Ken Delcore, die één kind Aja, mee in het huwelijk bracht. Samen kregen zij nog de dochters Katlynn, Julia en Claire.
Ook via de jongste dochter Patrice ging de Joniaux naam niet verder. Zij en haar echtgenoot Tom Marquardt kregen Collin en Carson als zonen.
17 november 2009
Aflevering 088: Laurel Joniaux en zijn (klein-)kinderen
Naast zijn twee dochters, wiens gezinnen we vorige aflevering bespraken, had Edward Joniaux, achterkleinzoon van Jean Baptiste Joniaux twee zonen. De oudste Laurel, werd geboren in 1932. Hij huwde met Sandy Agamite en zij kregen op hun beurt 4 kinderen: Cheryl, Lynn, Mark en Robbie. We behandelen de gezinnen hiervan in deze aflevering. We zouden het ten zeerste op prijs stellen indien leden van deze gezinnen ons wat foto’s konden bezorgen en eventueel onze data wat konden bijvullen. Tevens zijn alle (levens-)verhalen van harte welkom.
Cheryl huwde Dennis Dufek. Samen kregen zij drie kinderen: Mathew, Dana en Nicole Dufek.
Lynn huwde Mike Mleziva. Zij zetten de dochters Carrie, Amy en Danielle Mleziva op de wereld.
Zoon Mark kon de naam Joniaux verder zetten en hij deed dat ook tezamen met zijn echtgenote Linda Martin. Hun vier kinderen heten Ashley, Kristen, Kelsey en Logan Joniaux.
Ook via de jongste zoon Robbie ging de Joniaux naam verder. Hij en zijn echtgenote Heather Jandrin kregen Lucas Joniaux als zoon.
De familiediagrammen van Laurel en zijn vier kinderen worden hierbij gevoegd.
Cheryl huwde Dennis Dufek. Samen kregen zij drie kinderen: Mathew, Dana en Nicole Dufek.
Lynn huwde Mike Mleziva. Zij zetten de dochters Carrie, Amy en Danielle Mleziva op de wereld.
Zoon Mark kon de naam Joniaux verder zetten en hij deed dat ook tezamen met zijn echtgenote Linda Martin. Hun vier kinderen heten Ashley, Kristen, Kelsey en Logan Joniaux.
Ook via de jongste zoon Robbie ging de Joniaux naam verder. Hij en zijn echtgenote Heather Jandrin kregen Lucas Joniaux als zoon.
De familiediagrammen van Laurel en zijn vier kinderen worden hierbij gevoegd.
03 november 2009
Aflevering 087: De dochters van Edward Joniaux
Edward Joniaux, achterkleinzoon van Jean Baptiste Joniaux (1816-1904) had, zoals in de vorige aflevering besproken, vier kinderen. Het oudste, een dochter, werd geboren in 1927 en kreeg de naam Shirley.
Shirley huwde op 21 juni 1946 met Ervin Vandermause. Samen hebben zij tussen 1948 en 1957 zeven kinderen: Christine Vandermause(° 1948), Kathy Vandermause (°1951), Marcie Vandermause (°1952), Charles Vandermause (°1953), Cindy Vandermause (°1955), Tom Vandermause (°1956) en tenslotte Pattie Vandermause (°1957).
Het gezin jongste kind van Edward Joniaux, Jody, geboren in 1948, bespreken we eveneens in het kort in deze aflevering.
Jody huwde met Ken Landwehr. Opvallend zijn de namen Landwehr en Vandermause met een duidelijk Germaanse oorsprong. Het zou ons te ver leiden hun antecedenten na te trekken. Na het overlijden van haar echtgenoot hertrouwde Jody met Larry Vandertie. Samen met haar eerste echtgenoot had ze 4 kinderen: Paul Landwehr (°1970), Renée Landwehr (°1971), Tracey Landwehr (°1973) en Lori Landwehr (°1978).
Shirley huwde op 21 juni 1946 met Ervin Vandermause. Samen hebben zij tussen 1948 en 1957 zeven kinderen: Christine Vandermause(° 1948), Kathy Vandermause (°1951), Marcie Vandermause (°1952), Charles Vandermause (°1953), Cindy Vandermause (°1955), Tom Vandermause (°1956) en tenslotte Pattie Vandermause (°1957).
Het gezin jongste kind van Edward Joniaux, Jody, geboren in 1948, bespreken we eveneens in het kort in deze aflevering.
Jody huwde met Ken Landwehr. Opvallend zijn de namen Landwehr en Vandermause met een duidelijk Germaanse oorsprong. Het zou ons te ver leiden hun antecedenten na te trekken. Na het overlijden van haar echtgenoot hertrouwde Jody met Larry Vandertie. Samen met haar eerste echtgenoot had ze 4 kinderen: Paul Landwehr (°1970), Renée Landwehr (°1971), Tracey Landwehr (°1973) en Lori Landwehr (°1978).
27 oktober 2009
Aflevering 086: Het gezin van Edward Joniaux
In deze aflevering bespreken we het gezin van Edward Joniaux, zoon van John B., kleinzoon van Theophile, achterkleinzoon van Jean Baptiste Joniaux die vanuit België naar de VS emigreerde.
Edward Joniaux werd geboren op 19 november 1901 in Wisconsin als 4de kind van John B. Hij huwde op 10 november 1925 Blanche Gilson (°21 april 1906). Zij kregen 4 kinderen:
Shirly (°1927), Laurel (°1932), Ronald (°1936) en Jody (°1948).
Ter gelegenheid van hun 50-jarig huwelijk in 1975 werd bijgevoegde foto genomen met de kinderen en schoonkinderen. Voor zover ik weet zijn beide dames net boven het jubilerende paar en de heren links en rechts aan de buitenzijde van de groep, de kinderen van Edward en Blanche.
Edward woonde in de buurt van het Lake Michigan en was een fervent visser. Volgens onze vriend Jean Joniaux, die heel wat jaren geleden (ik dacht begin jaren 1980) een bezoek bracht aan Edward en zijn gezin, vond de uiterlijke gelijkenis tussen Edward en mijn vader Mathijs Jospeh Joniaux frappant. Toch kunnen we geen familieband aantonen. Op de foto genomen bij dat bezoek zien we van links naar rechts Jean Joniaux (België), Edward Joniaux (VS), vervolgens de zoon van Jean Joniaux, Blanche Gilson (echtgenote van Edward) en Liliane Gérard (echtgenote van Jean).
Het koppel Joniaux-Gilson had een lang en vruchtbaar leven. We weten dat hun afstammelingen talrijk zijn en we zouden het ten zeerste op prijs stellen, moesten zij contact met ons opnemen om het levensverhaal van Edward en zijn familie beter te illustreren.
Edward overleed op 27 januari 1983. Zijn vrouw Blanche bereikte de gezegende leeftijd van 90 jaar. Het herinneringsprentje van Edward Joniaux werd aan de Joniaux Saga Documents toegevoegd.
Edward Joniaux werd geboren op 19 november 1901 in Wisconsin als 4de kind van John B. Hij huwde op 10 november 1925 Blanche Gilson (°21 april 1906). Zij kregen 4 kinderen:
Shirly (°1927), Laurel (°1932), Ronald (°1936) en Jody (°1948).
Ter gelegenheid van hun 50-jarig huwelijk in 1975 werd bijgevoegde foto genomen met de kinderen en schoonkinderen. Voor zover ik weet zijn beide dames net boven het jubilerende paar en de heren links en rechts aan de buitenzijde van de groep, de kinderen van Edward en Blanche.
Edward woonde in de buurt van het Lake Michigan en was een fervent visser. Volgens onze vriend Jean Joniaux, die heel wat jaren geleden (ik dacht begin jaren 1980) een bezoek bracht aan Edward en zijn gezin, vond de uiterlijke gelijkenis tussen Edward en mijn vader Mathijs Jospeh Joniaux frappant. Toch kunnen we geen familieband aantonen. Op de foto genomen bij dat bezoek zien we van links naar rechts Jean Joniaux (België), Edward Joniaux (VS), vervolgens de zoon van Jean Joniaux, Blanche Gilson (echtgenote van Edward) en Liliane Gérard (echtgenote van Jean).
Het koppel Joniaux-Gilson had een lang en vruchtbaar leven. We weten dat hun afstammelingen talrijk zijn en we zouden het ten zeerste op prijs stellen, moesten zij contact met ons opnemen om het levensverhaal van Edward en zijn familie beter te illustreren.
Edward overleed op 27 januari 1983. Zijn vrouw Blanche bereikte de gezegende leeftijd van 90 jaar. Het herinneringsprentje van Edward Joniaux werd aan de Joniaux Saga Documents toegevoegd.
20 oktober 2009
Aflevering 085: Catherine Joniaux
Het derde kind van John B. Joniaux, afstammeling van immigrant Jean Baptiste Joniaux in Wisconsin was een dochter Catherine Joniaux. Zij werd geboren op 25 november 1899 en huwde op de laatste dag van het jaar (31 december) 1919 met Joseph Mornard. Hij was geboren in mei 1895 in Wisconsin als kleinzoon van de eveneens geëmigreerde Belg Jean Baptiste Mornard (°22 december 1816 in Dion-le-Mont).
Wat er na hun huwelijk gebeurde weten we niet. Joseph Mornard is voor ons spoorloos en van Catherine Joniaux weten we enkel dat zij op 1 september 1969 overleed in San Diego, California. Waarom zij vanuit Wisconsin aan de andere diagonale zijde van de VS terechtgekomen is, is ons nog niet duidelijk. Mogelijks was haar echtgenoot militair. In San Diego is immers de grootste marinebasis van de VS gestationeerd. Catherines broer Jules Richard ligt (zoals we later nog zullen zien) als militair begraven op het Fort Rosecrans National Cemetery in San Diego.
Een oproep aan onze lezers: kan iemand ons in contact brengen met Joniaux naamgenoten (Richard, James, Jim, Lauren) in San Diego? Zij kunnen ons mogelijk meer vertellen over de migratie van een aantal Joniaux’ van Wisconsin naar Californië.
Wat er na hun huwelijk gebeurde weten we niet. Joseph Mornard is voor ons spoorloos en van Catherine Joniaux weten we enkel dat zij op 1 september 1969 overleed in San Diego, California. Waarom zij vanuit Wisconsin aan de andere diagonale zijde van de VS terechtgekomen is, is ons nog niet duidelijk. Mogelijks was haar echtgenoot militair. In San Diego is immers de grootste marinebasis van de VS gestationeerd. Catherines broer Jules Richard ligt (zoals we later nog zullen zien) als militair begraven op het Fort Rosecrans National Cemetery in San Diego.
Een oproep aan onze lezers: kan iemand ons in contact brengen met Joniaux naamgenoten (Richard, James, Jim, Lauren) in San Diego? Zij kunnen ons mogelijk meer vertellen over de migratie van een aantal Joniaux’ van Wisconsin naar Californië.
Abonneren op:
Posts (Atom)













