16 maart 2010

Aflevering 105: De jury beslist

Na drie slopende weken met dagelijkse zittingen kwam begin februari 1895 een eind aan het proces tegen Mevr. Joniaux-Ablay met een uitvoerig slotrekwisitorium van de advocaat-generaal, dat gevolgd werd door de pleitredes van beide advocaten van de verdediging. Als eerste van beide verdedigers nam Mr. Hendrickx het woord. Enige commotie ontstond toen hij op zeker ogenblik zijn betoog onderbrak en opschorting vroeg, gezien hij zich onwel voelde… Na 4 uur pauze kon de draad opnieuw opgepikt worden.

En dan op zaterdag 2 februari keek iedereen uit naar het slotpleidooi van Mr. Graux. Aan het eind hiervan hekelde hij de onmenselijke ondervraging door de onderzoeksrechter van Brussel aan Emilie Ablay. De gezondheidstoestand van de zus van Mevr. Joniaux-Ablay was tijdens de periode van voorhechtenis zienderogen achteruit gegaan en het advies van Dr. Vleminckx was ingewonnen om te zien of zij zelfs nog in staat was ondervraagd te worden. Tenslotte is zij overleden. Daarom besloot Mr. Graux zijn redevoering met de woorden: “Zij is gestorven met de verdediging harer zuster op de lippen. Hare stem, heeren gezwoornen, zult gij in uwe kamer van beraadslaging hooren weerklinken en daaraan zult gij gehoor geven.”

Hierna volgden de korte replieken van zowel de advocaat-generaal als van Mr. Graux en Mevr. Joniaux-Ablay werd gevraagd of zij nog iets toe te voegen had. Zij antwoordde negatief en om 13:00 u werden de verhandelingen gesloten. Nu werden de vragen die aan de jury voorgelegd werden, geformuleerd:

Vraag 1: Is Maria Theresia Ablay, echtgenote Alidor Henri Joniaux, hier beschuldigd, plichtig te Antwerpen in de maand Februari 1892 vrijwillig en met inzicht van den dood toe te brengen eenen manslag gepleegd te hebben op den persoon van Leonie Ablay?

Vraag 2: Is de misdaad hierboven vermeld, gepleegd bij middel van zelfstandigheden die den dood min of meer snel kunnen veroorzaken op welke wijze ook de zelfstandigheden toegediend zijn?

Vraag 3, 4, 5 en 6: Hetzelfde voor den dood van Jaak Vandenkerckhove en Alfred Ablay.

Tijdens de beraadslaging van de (mannelijke) gezworenen zag de Nijverheidslei, waar het gerechtsgebouw zich bevond, zwart van het volk. In de herbergen stond het publiek zo dicht op elkaar gepakt, dat je er onmogelijk nog in of uit kon geraken. Bij de ingang van het justitiepaleis hadden de 25 gendarmes te paard en de politie alle moeite van de wereld het volk onder controle te houden.

Na 20 minuten beraadslaging traden de gezworenen opnieuw de gerechtszaal binnen. Alles werd stil. De leden van het Hof namen plaats en de voorzitter gaf het woord aan de voorzitter van de jury. Met luider stem las hij de antwoorden af: “Op mijne eer en geweten voor God en voor de menschen; de verklaring der jury is:…”