20 juni 2009

Aflevering 050: Antoon Evrard Joniaux I

Lucien Joniaux (1823-1912), zoon van Jacques Joniaux (1794-1878) kreeg 5 kinderen. De jongste, Antoon Evrard, mijn grootvader, werd geboren op 29 maart 1885 te Klein-Lafelt (Vlijtingen). Ikzelf ben geboren op 10 februari 1959. Mijn grootvader was dus nagenoeg 74 jaar bij mijn geboorte. Ik heb hem dan ook nooit anders gekend dan een oude man. Vergelijk dat met mijn kleindochter die ik kreeg op mijn 49ste. Toch zal volgende redenering u, onze trouwe lezer, met meer verbazing treffen. Mijn grootvader is geboren op het moment dat zijn vader 62 jaar was. Hij heeft dus zijn vader nooit jong of zelfs van middelbare leeftijd gekend. Tussen de geboorte van mijn overgrootvader en mijzelf zitten 136 jaar! Ik zou mijn overgrootvader maar gekend hebben indien hij meer dan 140 jaar oud geworden zou zijn. Natuurlijk is hij nooit zo oud geworden, maar toch is hij gelukkig pas overleden in 1912, toen zijn jongste zoon 27 jaar was. Zij hebben deze 27 jaar in elkanders nabijheid doorgebracht, termeer daar Antoon Evrard tot die leeftijd thuis bleef wonen.

Lucien stierf op 8 februari 1912. Een goed half jaar later, op 21 november 1912 huwde zijn jongste zoon Antoon Evrard met Sybilla Moors die geboren was op 25 augustus 1984 in Veldwezelt . Antoon Evrard was postbode. Het analfabetisme bij mannen was in de tweede helft van de 19de eeuw gedaald van ca. 50% tot ca. 10% (bij vrouwen lag dit aanzienlijk hoger), maar in een boerendorpje zoals Kesselt lag dat percentage waarschijnlijk hoger. Daarom moest mijn grootvader als enige postbode, naast het bedelen van de poststukken, ook regelmatig de brieven voorlezen. Zo had hij niet alleen een extra sociale functie, maar ontstonden er soms ook vertrouwensrelaties.

Tien maanden na zijn huwelijk met Sybilla Moors werd Lucianus Antonius (nonk Lus zoals wij zeggen) geboren. Hij was de eerste van een reeks kinderen die met de regelmaat van een metronoom op de wereld werd gezet (Het familiediagram zal volgende aflevering gepubliceerd worden). Na hem volgde Joris Joseph (nonk Georges, mijn peter). Alsof het niet snel genoeg kon gaan bleek de volgende geboorte een tweeling te zijn. Mathieu Albert en Anna werden op 3 maart 1916 geboren. Helaas werd het meisje (de eerste dochter van het gezin) slechts 3 maanden oud, want ze overleed op 24 mei van datzelfde jaar. Haar broertje werd ook slechts 8 maanden. Hij stierf op 8 oktober. Het moeten zware tijden geweest zijn voor het jonge gezin, maar het leven ging verder. Heden ten dage raken we gestresst omdat onze computer in panne valt of omdat we niet tijdig onze deadline halen. Ten tijde van Antoon Evrard en zijn echtgenote Sybilla lag de lat véél hoger. “Men wist niet beter”, zeggen we nu, maar ook zij moeten de pijn van het verlies tot diep in hun hart gevoeld hebben. Daarenboven speelde dit gezinsdrama zich af tegen de achtergrond van een drama van veel grotere omvang: Wereldoorlog I. Tussen 1914 en 1918 raakten 25 staten met elkaar in conflict, zodat 1,35 miljard inwoners, oftewel driekwart van de toenmalige wereldbevolking hierbij betrokken waren. Er werd gevochten op vele fronten en zeker het westelijke deel van België kreeg zeer zware klappen. De burgerbevolking van gans het land werd onderdrukt en geterroriseerd. Dit zou voor enkele Joniaux’ een ware tragedie worden, zoals we in de toekomst in onze blog zullen zien. De Joniaux’s in Kesselt zetten hun leven zo goed en zo kwaad als het kon verder.

Een jaar na het laatste overlijden, in oktober 1917, werd Albert Mathijs Joseph (nonk Albert) geboren en het jaar erna, op 28 november 1918 Isabella Maria Catherina. De hoop op het zien rondhuppelen van een vrolijk zingend meisje wordt al snel de kop ingedrukt, want reeds op 15 mei 1919, sterft ook zij. Ze werd nog geen half jaar.

Het koppel lijkt enige terughoudendheid aan de dag te leggen, want nu is er een enigszins langere periode zonder zwangerschap. Maar ook dit is slechts relatief want begin 1921 blijkt Sybilla weer zwanger. Op 18 oktober 1921 wordt wederom een dochtertje geboren. Zij krijgt opnieuw de naam Isabella in de hoop het verdriet van haar overleden oudere zusje te milderen. Maar ook nu weer slaat het noodlot toe. Hoeveel kan een mens dragen? Hoe sterk kan een geloof je maken? Bittere tranen moeten geweend zijn toen het pasgeboren kindje reeds op 1 november, twee weken na de geboorte, stierf.

“Stop er dan ook mee!”, zouden we denken. “Je hebt 3 flinke zonen. Wat wil je nog meer?” Dat is achteraf als buitenstaander in een andere tijd veel gemakkelijker gezegd dan op dat ogenblik gedaan. Geboortebeperking was zo goed als onbestaande en de Katholieke Kerk wilde zijn gelovigen het “gaat en vermenigvuldigt u” in de praktijk laten toepassen. Het “zaad mocht niet op de rotsen vallen”, maar moest “honderdvoudig voortbrengen” en zodoende….

Werd op 9 juni 1923 mijn vader Mathijs Joseph geboren. Op één van de bijgevoegde foto’s zie je Antoon Evrard met zijn 4 oudste zonen. De foto werd genomen rond 1927.

Je kan je afvragen:”Wat als ook mijn vader zo snel was overleden?” of “Wat als één van de onfortuinlijke broertjes of zusjes niet was gestorven?”, “Wie zou ik dan zijn?” De Vietnamese schrijver Thich Nhat Hanh maakt in zijn boek “Geen dood en geen vrees” zulke overwegingen om de relativiteit en de onderlinge afhankelijkheid der dingen aan te tonen, hetgeen een leidraad kan zijn door het leven. Antoon Evrard en Sybilla moesten het stellen zonder deze gids.

Eind 1924 kondigde zich een nieuwe zwangerschap aan...



Aflevering 049: De rommelmarkt van mijn geheugen

Afgelopen weekend trokken Rita en ik er samen op uit om in de Ardennen al wandelend te genieten van de herfstsfeer. De streek rond Spa leek ons hiervoor geschikt en indien we het een beetje doordacht konden uitstippelen, zouden we op onze tocht het stadje Spa zelf op zondagmiddag bereiken. Dat is een interessant tijdstip omdat daar elke zondagvoormiddag van 8:00 u tot 14:00 u op de Parc de Sept-Heures in de beschutting van de galerij Leopold II een rommelmarkt doorgaat. En zo'n rommelmarkt is altijd leuk. Je ziet er allerlei spulletjes die op zich geen cent waard zijn, maar die in je geheugen iets lospeuteren en je op die wijze begeleiden doorheen de verzameling van herinneringen. Hierdoor krijgt elk item een speciale eigen-waarde en als we het object wensen te kopen wordt deze waarde gretig gehanteerd door de verkoper en omgezet in klinkende munt.

Mijn geheugen is een rommelmarkt. Telkens blijk ik mensen te verbazen met detaillistische, schijnbaar zeer onbelangrijke herinneringen. Ik kan talloze banale zaken uit de rommelmarkt van mijn geheugen tevoorschijn toveren en meestal vinden andere mensen dat fijn, omdat deze prularia bij hen trigger zijn voor hun eigen herinneringen. Voor mijzelf is dat niet altijd zo aangenaam, aangezien de keerzijde van de medaille bestaat uit het vergeten van de veel belangrijkere zaken die eigenlijk niet vergeten zouden mogen worden. Gelukkig heb ik daar een oplossing voor gevonden: ik ben namelijk getrouwd met een levende databank met groot intern basisgeheugen, die mij met de meer noodzakelijke zaken bijstaat en bijstuurt; waarvoor mijn dank.

We zijn op een punt gekomen in de Joniaux Saga waar mijn rommelmarktgeheugen meer dan ooit van pas komt. Lucien Joniaux (°1823) had, zoals reeds bersproken, 3 zonen en 2 dochters. Op de nakomelingen van de eerste twee zonen (Egidius Felix en Hubert Alphonse) zijn we reeds min of meer uitvoerig ingegaan. De jongste van 5 kinderen was mijn grootvader Antoon Evrard. Als je denkt dat ik over hem en zijn nakomelingen véél meer concrete informatie (lees: data) heb, dan vergis je je. Zoals ik in ons allereerste aflevering van deze blog reeds vermeldde (ga maar eens terug kijken), heb ik altijd weinig geweten over mijn directe familie, hetgeen aanleiding was om aan onderzoek te doen. Onze nabije familieleden waren/zijn echt geen spraakwatervallen – behoudens een enkele uitzondering - als het ging/gaat over belevenissen van henzelf en hun familie. Enerzijds noodgedwongen zal ik dan beroep moeten doen op mijn rommelmarktgeheugen. Anderzijds is het misschien zelfs interessanter om aan de hand van “faits divers” een beeld te schetsen van deze Joniaux-tak. We hebben geenszins de ambitie om exhaustief de levensloop van elk individu te exploreren. Snuffelen op een echte rommelmarkt levert soms “waardeloze schatten” op. Misschien vind ook jij iets terug wat een plaatsje verdient in jouw vitrinekastje en wees niet ongerust: op onze blogrommelmarkt zijn zelfs de meest kostbare herinneringen helemaal gratis!

19 juni 2009

Aflevering 048: Marcel Joniaux: Pater Trudo

Lucien (°1908) en Antoine Joseph Joniaux (°1913) hadden nog één broer: Marcel. Hij werd op 5 januari 1916 geboren te Kesselt, bij Vlijtiingen. Hij volgde zijn humaniora in Zepperen (1927-1931) en in Kapelle-op-den-Bos (1913-1933). Op 2 oktober 1934 nam hij het habijt op in het noviciaat van Taintignies onder de naam van Pater Trudo. Hij volgt studies filosofie in Saint-Gérard (1934-1936); daarna, van 1936 tot 1940, theologie in Leuven. De kloosterschool werd getroffen door de Duitse bombardementen in mei 1940. Na zijn eeuwigdurende gelofte op 1 oktober 1938 keerde hij terug naar Saint-Gérard om zijn studies theologie te voleinden. Gevoelig, poëtisch, zelfs wat timide, ging hij voor zijn collega’s soms door als weinig sociaal en te koppig om zich aan hun ideeën aan te passen. Hij werd priester gewijd op 27 juli 1941. Het is ter gelegenheid van deze priesterwijding idat de welkomsfoto op de blog gemaakt werd. Aangezien hij een enigszins ongewoon cv heeft, willen we even over hem uitweiden.

Van september 1941 tot juni 1945 werd hij aangesteld om Nederlandse les te geven in Kapelle-op-den-Bos. Het was daar dat hij zijn eerste tekstbundel publiceerde: Mist en Licht. Van 1946 tot 1953 werd hij missionaris in Congo. Hij werkte er opeenvolgend in Butembo (de parochie die hij op 2 maart 1946 inzegende), Mulo en aan het klein seminarie van Musienne. Ziek, gekweld door hoofdpijnen, die hem zijn gans leven parten speelden, keerde hij terug naar België. Deze periode was voor hem heel moeilijk. Hij overwoog zelfs de congregatie te verlaten en een volledige uittrede aan te vragen ten gevolge van een aantal persoonlijke problemen. Maar mettertijd verminderden de spanningen. Men gunde hem een periode van herstel in Zwitserland.
De hoop om terug te keren naar Congo moest hij laten varen. Men stelde hem voor op missie naar Athene te gaan. Zijn gezondheid stond hem dit echter niet toe. Hij ging dan aan het werk in België. Terwijl hij de dubbele job van leraar en secretaris uitoefende in Zepperen, publiceerde hij drie nieuwe dichtbundels. Door zijn geletterdheid kon hij overal waar hij kwam het studieniveau danig opkrikken. Zeer getalenteerd en met een uiterste fijngevoeligheid, zette hij zich met hart en ziel in om het onderricht tot een hoger niveau te verheffen. Toch bleef dat hart verbonden met Afrika. In 1963 werd zelfs een zending naar Zuid Amerika overwogen.

Het bleek zeer moeilijk te zijn om Pater Trudo een verblijfplaats te bezorgen waarin hij zich gelukkig voelde in een vorm van gemeenschappelijk leven. Hij kon dan ook slechts in een kader van relatieve teruggetrokkenheid een zeker persoonlijk evenwicht vinden en bewaren. Toch kon hij nog 20 jaar wijden aan de ontwikkeling van
Zaïre. Hij legde zich toe op ontwikkelingshulp en met competentie ondersteunde hij op materieel, spiritueel en maatschappelijk vlak de kerkgemeenschap van Béni-Butembo. Samen met Pater Lieven Bergmans schreef hij het boek “Onder de zon van de vrees” (dat je bij het googlen vaak tegenkomt) en was hij verantwoordelijk voor het missietijdschrift “De Groeiende Kerk”. Hij werkte voor de Procuur van Brussel die verantwoordelijk was voor de missie van Zaïre. De opbloei van zijn poëtisch talent concretiseerde zich in meerdere publicaties. Na “Het Perron” volgden gestaag nog 6 dichtbundels, afgesloten met “Triptiek Broeksele-Brussel” in 1980. Daarnaast publiceerde hij ook het essay over de zeesymfonieën van C. Verschaeve. Ik heb een exemplaar hiervan in mijn bezit en het getuigt van grote belezenheid en zin voor lyriek en mystiek.. In 1986 ging Pater Trudo op pensioen.

Enkele maanden voor zijn overlijden had ik schriftelijk contact opgenomen met pater Trudo omdat ik vernomen had dat hij mogelijks meer informatie had over een Joniaux-stamboom. In een vriendelijk briefje dat hij me terugzond (zie bijgevoegde foto) moest hij dit spijtig genoeg ontkennen en hij verontschuldigde zich tevens voor het slechte geschrift ten gevolge van de ziekte waaraan hij enige tijd later dan ook bezweek.

Hij stierf op 8 november 1988 in Aalst. Na de uitvaartplechtigheid op 12 november, werd hij begraven in Leuven op het kerkhof van de Abdij van ‘t Park. Zonder te weten dat zijn graf zo dichtbij was, brachten wij van 12 op 13 juli 2008 de nacht door in onze motorhome op de parking van dat kerkhof. Ook al stelde hij tijdens zijn leven de eenzaamheid op prijs, de volgende keer brengen we hem vast en zeker een kort bezoekje.

Twee jaar na het overlijden van Marcel (Pater Trudo) Joniaux (zie herdenkingskaartje JSDocuments), werd er in
Kesselt (het dorpje dat als een Siamese tweeling verbonden is met zijn geboortedorpje Klein Lafelt) een feestelijke overzichtstentoonstelling gehouden, georganiseerd door de plaatselijke heemkundige kring Wiosello, met als drijvende kracht Julien Daenen. Deze tentoonstelling had tot doel een hommage te brengen aan de verdienstelijke dichter, “die nooit te koop heeft gelopen met zijn talent”. Deze gelegenheid werd door ons aangegrepen om een schuchtere poging te ondernemen een aantal Joniaux’ met verschillende roots bij elkaar te krijgen. Hoe beperkt dit ook was: het werd een interessante namiddag waar onbekende naamgenoten met elkaar kennis konden maken.

In de jaren die hierop volgden, werd mij vanuit verschillende hoeken herhaaldelijk gevraagd opnieuw een bijeenkomst te organiseren. Als er voorstellen in die richting zijn, kunnen die altijd naar ons contactadres gezonden worden. Spijtig genoeg hebben we te maken met een “Joniaux diaspora” en zullen wij de Joniaux’ die verstrooid leven over deze planeet veelal enkel virtueel kunnen ontmoeten. Dat is dan ook de reden waarom wij proberen een virtuele ontmoetingsplaats te creëren: de Joniaux Saga Blog!



Aflevering 047: Het gezin van Antoine Joseph J

In de vorige aflevering hebben we drie gezinnen onder de loep genomen, alle afstammelingen van Lucien Joniaux (°1908). Lucien Joniaux(°1908) op zijn beurt was de oudste zoon in een rij van 8 kinderen van Hubert Alphonse en tevens het enige kind van Maria Haesen. Na haar overlijden in 1908 werden er nog 7 kinderen geboren met Helena Daenen als moeder. Als eerste kwam Antoine Joseph ter wereld.

Antoine Joseph werd geboren op 13 januari 1913, 5 jaar na Lucien (°1908), te Vlijtingen. Hij werd evenals zijn vader landbouwer en huwde op 18 september 1943 (het was toen volop oorlog) in Kesselt (nu fusiegemeente Lanaken) met Anna Moors. Hij was op dat ogenblik dus 30 jaar. Uit dit huwelijk werden 2 kinderen geboren (zie hiervoor het gezinsdiagram):

Leonie op 13 april 1945, net voor het einde van de tweede wereldoorlog (Hitler pleegde zelfmoord op 30 april 1945 en de capitulatie van Duitsland werd op 7 mei 1945 ondertekend.).

Haar broer Marcel Hubert werd geboren op 14 oktober 1946. Hij bleef ongehuwd. Zijn beroep was bediende. Als ik mij niet vergis – corrigeer mij als dat wél het geval zou zijn – is hij in het huis blijven wonen in Klein Lafelt (Vlijtingen) waarin zijn grootvader Lucien Joniaux (°1823) destijds woonde na zijn vertrek uit Piétrain.

Vader Antoine Joseph Joniaux stierf op 2 december 1967 in Vlijtingen. Het bidprentje hiervan vindt u op onze zustersite Joniaux Saga Documents.



Aflevering 046: Afstamming van Albert en Julien J

Lucien Joniaux (°1908) kreeg dus 4 kinderen waarvan de oudste en de jongste van het mannelijk geslacht waren. We gaan bij hen op zoek naar naamgenoten Joniaux.

Albert Hubert Joniaux (de oudste van 4) werd geboren op 11 juni 1937 in Klein-Lafelt (nu fusiegemeente Vlijtingen). Hij werd bankbediende en huwde op 9 augustus 1961, op 24-jarige leeftijd, Marie Louise Van Loo. Samen kregen zij 2 kinderen:

Danielle (°17 mei 1962 te Genk) en Ilse (°5 augustus 1966 te Genk). Deze gezinssamenstelling vindt u in bijgevoegd familiediagram.

Zoals we eerder reeds hebben besproken, stopt hier ons verder onderzoek naar familiebanden, aangezien er hier verder geen Joniaux naamdragers werden geboren. We zijn er ons volledig van bewust dat dit louter arbitrair is en natuurlijk zouden heel wat vrouwelijke Joniaux’ best willen dat hún kinderen ook nog een plaatsje krijgen in ons verhaal. Ook al is dat momenteel nog niet het geval, toch sluiten wij niet uit dat dit ooit nog zal gebeuren. U begrijpt dat dit een hele klus zal zijn, zodat deze uitbreiding er niet op korte termijn zal komen.

De jongere broer van Albert Hubert en eveneens zoon van Lucien Joniaux (°1908) is Julien Evrard Joniaux. Hij werd geboren op 18 maart 1941 in Klein-Lafelt (nu fusiegemeente Vlijtingen). De tweede wereldoorlog was het jaar ervoor begonnen voor België, Nederland en Luxemburg. De Duitse inval in België gebeurde trouwens op 10 en 11 mei 1940 met de inname van het fort van Eben-Emael, niet ver van de geboorteplaats van Julien Evrard. Wanneer wij vroeger richting Visé reden, dan lagen de ruines van het fort ergens rechts van de weg tussen de bomen verscholen. Mijn vader vertelde dan over de verrassingsaanval die de Duitsers in de vroege ochtend uitvoerden met behulp van vliegtuigen en valschermspringers. De Belgische militairen, die het fort als onneembaar zagen waren totaal verrast. Donkere tijden lagen in het vooruitschiet. Onze naamgenoten hebben het echter overleefd en op 28 juni 1967, op 26-jarige leeftijd, huwt Julien in Lanaken Marie Louise Bijnens. Zij krijgen drie zoons:

Luc (°12 maart 1972 te Bilzen), Ortwin (°20 februari 1974 te Bilzen) en tenslotte Björn (6 februari 1975 te Bilzen). Jonge (of actieve) computergebruikers hebben deze kerels misschien al eens virtueel ontmoet bij Facebook. De wereld wordt blijkbaar steeds kleiner…

Ook van dit gezin vindt u het familiediagram hierbij ingesloten.

Voor zover we weten heeft enkel Björn voorlopig één namkomeling. Björn huwde immers Sofie van Soest en samen kregen zij dit jaar een zoon Colin. Hij werd op 23 april van dit jaar 2008 geboren te Leuven. Van zijn fiere grootouders kregen we bijgevoegde foto opgestuurd. En opnieuw doen we een oproep naar lezers om ons foto’s, anekdotes en bijkomende gegevens per mail op te sturen zodat we onze Joniaux Saga kunnen aanvullen en illustreren. Een voorbeeldje hiervan: we hebben géén gegevens betreffende het huwelijk van Björn en Sofie. Graag zouden we dit vervolledigen.

En om af te sluiten krijgt natuurlijk de (momenteel en voor zover we weten) jongste Joniaux zijn familiediagram.









Aflevering 045: Het gezin van Lucien J (1908-1993)

Natuurlijk bent u als bloglezer benieuwd hoe het verder verliep met Alidor Henri Joniaux en zijn kinderen (waaronder Charles Joniaux). Toch laten we dit deel van onze saga (The Ecuadorian Connection) even rusten om opnieuw een kijkje te gaan nemen bij de Joniaux’s van het thuisland (The Old Country).

In onze aflevering van 31 mei 2008 hebben we het huisgezin van Hubert Alphonse Joniaux (1879-1973) besproken. Hij was derde kind van Lucien Joniaux (1823-1912) en kleinkind van Jacques Joniaux (1794-1878) die we (arbitrair) als uitgangspunt kozen voor de verdere uiteenzetting.

Als oudste zoon van Hubert Alphonse werd Lucien (niet verwarren met zijn grootvader) geboren op 3 augustus 1908 in het kleine plaatsje Kesselt (momenteel gemeente Lanaken). Hij was het enige kind van Huberts eerste vrouw Maria Haesen. Op 12 juni 1936 huwt hij Elisa Moors. Beiden zijn op de welkomsfoto van de blog, een vijftal jaren na hun huwelijk genomen, te zien. Om niet telkens terug te moeten gaan naar de van namen voorziene versie van deze foto die we reeds eerder publiceerden, kan je deze foto in dit stuk opnieuw zien en door aan te klikken vergroten. Het gezin van Lucien en Elisa (te zien in bijgevoegd gezinsdiagram) werd gezegend met 4 kinderen:

Albert (°1937), Maria Helena (°1938), Anna Joniaux (°1939) en Julien Evrard (°1941). Beide jongens huwden en kregen nog nazaten met de familienaam Joniaux. Ook hun gezinnen zullen dus in deze saga nader toegelicht worden.

Lucien Joniaux stierf op 17 december 1993 in Lanaken. Ook zijn echtgenote zou in datzelfde jaar overleden zijn, maar dit overlijdensjaar hebben we nergens bevestigd gezien. We doen dan ook een oproep aan de bloglezers om ev. onnauwkeurigheden te melden en ons, indien mogelijk, per mail foto’s te sturen (JPEG-formaat) die gebruikt zouden kunnen worden als illustratie van dit gezin en de gezinnen die nog volgen. Een foto van Lucien op middelbare leeftijd kan u in dit stuk terugvinden. Het bidprentje dat uitgegeven werd bij het overlijden van Lucien kan u zien op onze zustersite Joniaux Saga Documents. U vindt de link hiernaar links onder aan deze blog.




Aflevering 044: De één zijn dood...

Over de figuur van Fréderic Faber kunnen we niet zo veel vertellen. Als ik aan hem denk dan zie ik steeds één van de klerken voor me die door Charles Dickens (1812-1870) ten voeten uit werden beschreven. Aan zijn werktafel zat hij dag in dag uit te schrijven aan zijn “Histoire du théâtre français en Belgique depuis son origine jusqu'à nos jours” (Geschiedenis van het Franstalige theater in België vanaf zijn oorsprong tot nu.). Een monnikenwerk. En onze kleine Charles Joniaux bracht hier veel tijd door. Misschien moest mevrouw Faber hem regelmatig tot rust aanmanen, teneinde mijnheer Faber niet te storen met zijn belangrijk werk. Als het een beetje té erg werd, nam zij Charles mee voor een wandelingetje door Brussel.

Het werk van Fréderic Faber werd eerst in een driedelige versie en daarna, in 1880, in een vijfdelige versie uitgegeven. Je kan het nu via internet nog vinden in één of ander antiquariaat voor de prijs van ongeveer € 120 of € 150 al naargelang de versie. Echt volledig af heeft onze schrijver zijn werk nooit kunnen maken, want op 4 december 1884 overlijdt hij tengevolge van een acute aanval van “flericijn”. Dit is de oude benaming voor jicht. Jicht is over het algemeen een vrij gemakkelijk te controleren gewrichtsaandoening. Slechts zelden gaat zij gepaard met complicaties die de dood tot gevolg hebben. Had mijnheer Faber de pech één van de uitzonderingen te zijn, of was de diagnose van de arts die de dood vaststelde niet zo accuraat; we zullen het waarschijnlijk nooit te weten komen.

Wat we wel weten, is dat hij zijn vrouw en dochter Jeanne met een financiële kater achter liet. Hij had zich al die jaren slechts zeer matig bekommerd om de rendabiliteit van zijn werk en in plaats van een spaarcentje opzij leggen, had hij schulden gemaakt. Mevrouw Faber-Ablay sprak daarom de moeder van wijlen haar echtgenoot Fréderic Faber aan met het verzoek de schulden die haar zoon gemaakt had in te lossen. Deze weigerde dit echter pertinent. De onenigheid tussen beide dames was zo groot dat dit een blijvende tweespalt tot gevolg had. In de ogen van moeder Faber kon haar schoondochter niets goeds meer uitrichten.

Iemand die het dan weer wel goed met de weduwe kon vinden was Alidor Henri Joniaux. We maakten reeds melding van de nauwe contacten tussen beide personen, die enerzijds historisch gegroeid waren uit de raakvlakken binnen de militaire families en anderzijds toevallig tot stand gekomen waren door de nood aan opvang voor de kinderen van Alidor. Het kon dan ook niet uitblijven: op 1 maart 1886 huwden Alidor Henri Joniaux (40 jaar oud) en Marie Thérèse Josephe Ablay (38 jaar oud). Op de huwelijksakte (zie JS Documents) tekenen als getuigen onder andere Jacques Vandenkerckhove (daar is hij weer!) en Désiré Joniaux, beide nonkels van de bruidegom.

Zou met dit huwelijk een einde komen aan de reeks tegenslagen die Alidor Henri Joniaux op enkele jaren tijd te verwerken kreeg? Dit en nog veel meer kan u lezen op de Joniaux Saga blog!

Aflevering 043: Een rivale?

Het dramatische liefdesverhaal tussen Alidor Henri Joniaux en Mary Fisher, verteld door de zus van Mary, geeft aanleiding tot enkele bedenkingen. Vooraleer hier dieper op in te gaan, willen we nog even de aandacht vestigen op het feit dat dit verhaal pas 13 jaar na het overlijden van Mary Fisher werd opgetekend hetgeen van belang is bij de interpretatie.

Een jaar na het overlijden van zijn eerste vrouw Ida Dumon, zoekt Alidor toenadering tot het buurmeisje, dat niet afkerig staat, maar pas later verliefd wordt. Zoals ook wij reeds zegden, maakte Alidor in die periode een moeilijke tijd door, hetgeen van (negatieve) invloed was op zijn omgang. Dan verbreekt hij de verloving en hij laat zich hierbij (zoals verteld door Mary’s zus) niet van zijn meest tactvolle kant zien. Niet dat hij de jongedame niet graag zou zien; neen, het zou een kwestie zijn van financiële beperking die een relatie (en ev. huwelijk) met haar met zich mee zou brengen. Hij zou 30.000 fr per jaar van doen hebben. We weten echter dat hij met zijn ambt “slechts” 10.000 tot 12.000 fr verdiende. Dit laatste bedrag is zeker correct. Mogelijks heeft hij ten opzichte van vader Fisher een stuk overdreven om de discrepantie nóg groter te maken. Of misschien hád hij inderdaad zoveel geld nodig en dan begrijpen we ook hoe belangrijk de mislukte investering in de spoorweg wel moet geweest zijn.

Mary Fisher moet met lede ogen toezien hoe haar geliefde steeds meer contact heeft met Mevr. Faber-Ablay. Er wordt in deze tekst niet gesproken over het feit dat deze dame tenminste voor Alidors zoontje Charles gezorgd heeft, zodat het niet meer dan normaal was dat beiden elkaar vrijwel dagelijks zagen. Het kan zijn dat dit in 1879 nog niet het geval was. Zeker weten we dat zij de opvoeding van hem (en mogelijks ook van zijn zusjes) ergens tussen 1878 en 1884 op zich heeft genomen. Dit terzijde gelaten, kan je tussen de regels wel lezen dat Mary Fisher een rivale zag naar voor schuiven, die haar verloofde wist af te snoepen. Er wordt niet expliciet gezegd dat er een amoureuze relatie ontstaat tussen Alidor en Mevr. Faber-Ablay, maar schijnbaar kunnen deze twee het goed met elkaar vinden. Alleen… Mevr.Faber-Ablay is nog steeds getrouwd. Zelfs al wilden beiden een stap verder, dan was dat vrijwel onmogelijk zolang Frederik Faber leefde...

Aflevering 042: Mary Fisher: bruid in wit satijn

Als trouwe lezer van onze blog hebt u het al gemerkt: de wijze waarop we het Joniaux verhaal naar buiten brengen, wordt gekenmerkt door de aandacht voor de gebeurtenissen die aanvullend zijn op de louter beschrijvende data van geboorte, huwelijk en overlijden, zoals die meestal te zien zijn in genealogische studies. En dat we hierbij oog hebben voor details, hoeft geen betoog. Het volstaat dus voor ons niet ons enkel te baseren op de informatie die we kunnen terugvinden in de rijksarchieven. Alle andere informatiebronnen zijn welkom. Eén van die informatiebronnen zijn oude kranten. De artikels hierin hebben weliswaar niet dezelfde autoriteit als officiële documenten, maar zij hebben het ontegensprekelijk voordeel een mooi beeld te vormen hoe er in dié tijd omgegaan werd met informatie. Daarenboven leveren zij vaak de door ons zo begeerde “randinformatie”.

In deze aflevering van de Joniaux Saga, willen we een stukje overnemen uit De Gazet van Antwerpen van 26 april 1895. Hierin wordt de periode beschreven die voorafging aan het overlijden van juffrouw Mary Fisher, dochter van een musicus, op 6 januari 1882 in Sint-Joost-ten-Noode en waarin Alidor Henri Joniaux (in het stuk beschreven als M. (Mijnheer) Joniaux) een belangrijke rol speelde. Een letterlijk citaat:

“Mej. Fisher is gestorven tengevolge van eene langdurige ziekte op 6 Januari 1882.
Ziehier hoe hare zuster het medegedeeld heeft aan eenen onzer konfraters:
Wij woonden in 1879 in de rue Traversière, 72, nevens ons in nr 74 woonde M. Joniaux met zijne drij kinderen.
Zekeren dag vroeg M. Joniaux de hand onze zuster Mary, en sinds dien dag werd hij in ons huis ontvangen.
Hij was een gezellige klapper en was spoedig door mijne zuster bemind.
Eenigen tijd nadien veranderde hij van houding. Hij werd tristig, stilzwijgend en verminderde zijne bezoeken. Mijne zuster was daar droevig om, alsof zij toen reeds gevoelde de smart die haar ging aangedaan worden. Op haar vragen waarom hij zoo veranderd en droevig was, antwoorde (sic) hij eenvoudig dat hij familiemoeilijkheden had.
Gedurende dien tijd bemerkten wij dat mad. Faber, die met haren man niet ver uit onze buurt woonde, bijna dagelijks een bezoek bracht aan M. Joniaux en zij soms met de kinderen ging wandelen. Ook vernamen wij dat M. Joniaux de dagelijkse bezoeker was van het huis Faber.
Eindelijk, zekeren morgen vroeg M. Joniaux een kort onderhoud met onzen vader en verzocht hem zijn woord terug te geven. Hij gaf tot reden op dat hij niet had nagedacht over de zoogezegde vereischte van den maatschappelijken toestand, waarin hij zich door zijn ambt bevond, dat hij zijn rang moest eerbiedigen, en met 30.000 frs op het jaar misschien niet genoeg zou hebben en tatati en tatata.
M. Joniaux wist nochtans wel dat onze zuster geen bruidsschat had.
Onze vader nam de deur in de hand en verzocht hem spoedig het huis te verlaten.
Daags nadien droeg een van ons den verloofring terug aan M. Joniaux, welke hij aan mijne zuster geschonken had. Het was een kleine ring met drij diamanten bezet.
- Maar waarom den ring terug geven, zegde hij, er zijn drij diamanten in, gij zijt met drij zusters, laat er drij ringen van maken.
Wij deden M. Joniaux opmerken dat hij zich vergiste over onze persoon en zijne woorden zeer beleedigend waren.
Onze zuster Mary was door dien slag hopeloos geworden. Zij werd aangetast door eene longontsteking, en verzorgde zich niet. Haar toestand werd dagelijks erger en telkens zij Mad. Faber zag met M. Joniaux, verloor zij het bewustzijn.
Zij was een martelares!!
Eens zag zij nadien M. Joniaux op den eersten rang zitten in de Théatre des Familles, waar Mary zong voor een liefdadig werk. Zij kon bijna niet voortzingen en viel achter de schermen in onmacht.
Na lang lijden stierf zij. Alvorens den geest te geven, verzocht zij ons haar te kleeden in wit satijn “zoals eene bruid” voegde zij snikkend er bij.
Den dag der begrafenis, deed M. Joniaux de luiken der vensters zijner woning sluiten en keerde er eerst eenige dagen nadien in terug.”



18 juni 2009

Aflevering 041: Donkere dagen

Alidor Henri Joniaux deed zijn best om zich over het verlies van zijn echtgenote en moeder van zijn drie kinderen heen te zetten. Het moet een hele opluchting geweest zijn te weten dat deze kinderen goed werden opgevangen door Mevr. Faber-Ablay. Hij kon ervan overtuigd zijn dat zij bij haar in goede handen waren en dat zij zeker op socio-cultureel vlak niets tekort kwamen. Bovendien leek zij voor hen te zorgen als voor haar eigen kind.

De dood van zijn echtgenote was echter niet de enige donkere wolk die deze periode Alidors leven overschaduwde. Ook op financieel gebied bleek de hemel te betrekken. In een poging om zeker niet achterop te lopen in deze snel veranderende wereld, had hij aandelen in spoorwegen genomen. Ondanks het feit dat dit zijn werkterrein was en ondanks het feit dat ook zijn oom Jacques Vandenkerckhove (zie hiervoor onze aflevering van 28 maart 2008) actief was binnen dit domein als hoofd van de spoorlijn Gent-Terneuzen, bleek Alidor verkeerde inschattingen gemaakt te hebben. Hij verloor aanzienlijk bedragen bij verkeerde investeringen. Niet dat de toestand extreem problematisch was, maar dit kon hij toch missen als kiespijn.

En dan, op 30 september 1880, overlijdt Henri François Joniaux, Ridder in de Leopoldsorde, vader van Alidor Henri Joniaux, in de Lammerstraat te Gent. In de overlijdensakte (zie JSDocuments) kunnen we lezen dat Henri François de zoon was van Petrus Franciscus Josephus (Joniaux) en van Maria Ludovica Bonnevie. Deze beide namen geven een aanknopingspunt naar verder onderzoek, teruggaande in de tijd, van de Joniaux’ verwant aan Charles Joniaux. De aangifte van het overlijden gebeurt onder meer door Henri’s schoonbroer Jacques Vandenkerckhove.

Een klein zijsprongetje willen we maken om een toelichting te geven betreffende de titel van Ridder in de Leopoldsorde die Henri François Joniaux mocht bezigen. De Leopoldsorde is één van de drie (vroeger vijf) nationale Belgische orden. Zij is de hoogste onderscheiding die men kan toekennen aan verdienstelijke personen. Er bestaat een opdeling in een burgerlijke en een militaire categorie die sinds 1934 aangevuld wordt met een maritieme categorie. Per categorie kent men 5 klassen: de Grootlintdrager, de Grootofficier, de Commandeur, de Officier en de Ridder. De insignes zijn voor elke klasse typerend. Voor de Ridders (zoals Henri François) is dit een zilveren kruis met een diameter van ca. 40 mm., dat opgehangen is aan een wijnrood lint met een breedte van 37 mm. Het wordt door burgers in het knoopsgat en door militairen in uniform op de borst gedragen.

Zoals gezegd waren het bewogen jaren voor Alidor Henri Joniaux en zijn drie kinderen. Hopelijk zouden iets vreugdevollere tijden in het vooruitschiet liggen.

Aflevering 040: Het noodlot slaat toe

Het leek Alidor Henri Joniaux en zijn gezin helemaal voor de wind te gaan. Zijn vader was arts; zijn moeder kwam uit een gezin van industriëlen; zijn echtgenote was de dochter van de hoofdingenieur van de Dienst Bruggen en Wegen in Namen. Hijzelf was eveneens als ingenieur bezig met belangrijke en creatieve taken waarvan men het resultaat 130 jaar later nog kan aanschouwen. Hij ontving een jaarsalaris tussen de 10.000 fr. en de 12.000 fr. hetgeen hen niet echt rijk maakte, maar toch absoluut een meer dan gemiddeld inkomen was. Hun geluk kon niet op toen zijn vrouw Ida Dumon ook nog eens zwanger werd van hun vierde kind. Charles en zijn zusjes zouden er een broertje of zusje bij krijgen. Maar ook dit gezin bleek niet immuun voor onheil…

Op 14 april 1878 moest Léon Joniaux, 23-jarige broer van Alidor Henri, toentertijd woonachtig te Leuven en officier bij de cavalerie, op het stadhuis gaan melden dat de dag ervoor, op 13 april 1878, zijn schoonzus Ida Jeanne Louise Marie Dumon was overleden (zie JSDocuments). Zij stierf samen met haar baby in het kinderbed. Alidor Henri (31 jaar) bleef achter met zijn drie kinderen: Marie (6 jaar), Charles (4 jaar) en de kleine Marthe (2 jaar). In de Dwarsstraat (Rue Traversière) nr 74 te Sint-Joost-ten-Noode , waar het gezin woonde (zie foto's), was het een komen en gaan van vrienden en kennissen, die hun medeleven wilden betuigen. Eén van deze kennissen was Mevr. Faber-Abley die enkele straten verderop woonde. Alidor Henri en Mevr. Faber-Ablay kenden elkaar reeds sinds langer. Zij was immers de nicht van niemand minder dan Luitenant-Generaal der Cavalerie Omer Ablay, Ere-Vleugeladjudant van Koning Leopold II, 1865-1867, Ere-Vleugeladjudant van Koning Leopold I, 1842-1865, Commandant van de Divisie Lichte Cavalerie, 1859-1866, Commandant van de 2de Cavaleriebrigade, 1851-1859, Commandant van het 2de Regiment Gidsen, 1848-1851 en Commandant van het 2de Regiment Kurassiers, 1842-1848. Haar vader Jules Gustave Ablay was de kapitein van het 2de regiment van de lansiers in Brussel. Gezien de functie van hoofdgeneesheer in het leger van Alidor Henri’s vader Henri François Joniaux en de functie van Léon Joniaux (Alidors broer) als kapitein bij de lansiers, waren deze families in het verleden reeds meermaals in contact gekomen. De echtgenoot van Mevr. Faber-Ablay (zij was geboren op 15 oktober 1944 in Mechelen als Maria Théresia Josephina Ablay) was de schrijver Jules Fréderic Faber, die sinds jaar en dag werkte aan zijn levensdroom namelijk het opstellen van de encyclopedie “Histoire du Théatre Français en Belgique”. Samen hadden zij één dochter.

Deze aristocratische dame stelde Alidor Henri voor om de zorg voor zijn kinderen op zich te nemen. De kinderen hadden nood aan een moederfiguur en aangezien zij zelf slechts één dochter had, moest dat toch kunnen. Voor de kinderen zou het bovendien goed zijn als zij een opvoeding kregen die paste bij de kinderen van een heer van stand. Alidor kon intussen verder werken en bovendien zou het een zeer praktische regeling zijn, gezien de zeer korte afstand tussen beide huizen. Daarom ging de jonge weduwenaar graag in op dit aanbod.

De eerlijkheid gebiedt ons te zeggen dat wij niet 100% zeker weten dat alle drie de kinderen zouden opgevangen werden door Mevr. Faber-Ablay. Wel weten we zéker dat de kleine Charles bij dit gezin in de kost ging. Meerdere argumenten pleiten er echter voor dat ook de zusjes met hem mee zouden zijn gegaan.



Aflevering 039: Het Jazz Station

Langs de spoorlijn 161 (Brussel Noord – Namen) in Sint-Joost-ten-Node werd in 1865 de halte “Statie van den Leuvenschen Steenweg – Station de la Chaussée de Louvain” toegevoegd. Een aantal jaren later (1868) werd beslist deze halte te voorzien van een stationsgebouw en voor het ontwerp hiervan werd beroep gedaan op ingenieur Alidor Henri Joniaux en zijn collega V. Mailliet, beiden werkzaam voor de Dienst Bruggen en Wegen.

Het station werd opgericht op een voormalig schietterrein van het Belgisch leger (kazerne Daily). Het gebouw bestaat uit twee vleugels en is gebouwd in eclectische stijl met elementen uit de Vlaamse neorenaissancestijl en de neobarok. In de linkervleugel, die over de spoorweg gebouwd is, bevonden zich de woning en het kantoor van de stationschef samen met de wachtzaal voor de treinreizigers in derde klasse. In de rechtervleugel bevond zich de inkomhal samen met de wachtzalen eerste en tweede klasse, het post- en telegraafkantoor en een magazijn. De twee perrons, die in openlucht lagen, waren bereikbaar via trappen vanaf een overdekte loopbrug die over de Clovis spoorwegtunnel liep. Het is één van de weinige voorbeelden in België van een spoorweggebouw dat over de trainrails geconstrueerd is. Het stationsgebouw werd in 1885 ingehuldigd.

In 1924 werd het station gesloten en het is sinds 1996 erkend als beschermd monument. In 2003 kreeg de gemeente Sint-Joost-ten-Node het gebouw in erfpacht van de NMBS. Na de restauratie van het gebouw door de gemeente met steun van de Europese Gemeenschap, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen is er een ontmoetingscentrum voor jazzmusici gevestigd: het Jazz Station. Het gerestaureerde gebouw werd ingehuldigd op 30 september 2005 door minister-president van het Brussels Gewest Charles Picqué en burgemeester Jean Demannez.

Als je ooit een bezoekje brengt aan Brussel, is het zeker de moeite waard eens kijkje te gaan nemen bij dit Jazz Station aan de Leuvense Steenweg 193a. Van woensdag t.e.m. zaterdag kan je er in het cafetaria iets drinken of je kan op één van de jazz evenementen tegen zeer democratische prijzen genieten van de muziek in een gebouw dat (mede-)ontworpen is door een Joniaux. Let wel op: het station is gesloten in de maanden juli en augustus.

Wanneer je de moeite doet een klein ommetje te maken rond het huizenblok van het station, dan kan je aan de achterzijde van het gebouw geraken. Spijtig genoeg heeft men hier de spoorweg en het station aan het zicht onttrokken om te verhinderen dat kwajongens
voorwerpen van de brug op de rails gooien. Rita en ik vonden een oplossing om toch mooie plaatjes te kunnen schieten: men neme één afgedankte commode die klaar staat om opgehaald te worden door de reinigingsdiensten, men schuive die tot bij de reling en de tribune is klaar. We hebben gekozen om onze eigen foto’s te publiceren en géén gebruik te maken van foto’s die je op het internet kan vinden.






Aflevering 038: Alidor Henri Joniaux in Brussel

Het is intussen reeds geleden van de aflevering 023 dat we nog spraken over de Belgische link van de Joniaux’ met Ecuador. Om je geheugen op te frissen klik je best even op het label Ecuadorian Connection en alle voorgaande stukjes betreffende dit onderwerp komen netjes gesorteerd op je scherm tevoorschijn.

Als laatste hadden we gemeld dat Alidor Henri Joniaux en zijn echtgenote Ida J.L.M. Dumon naar de Brusselse gemeente St. Joost-ten-Noode trokken en daar, na de in Namen geboren Marie M.J.J. nog twee kinderen kregen met name Charles M.G.H.J. en Marthe M.H.J. We zijn dan in het jaar 1876. Naar de enige zoon in dit gezin (Charles), die voorvader zou zijn van zowat alle Joniaux’ in Latijns Amerika, waren we reeds lang op zoek en we gaan trachten zijn verdere leven te volgen. Vooraleer de wedervarenheden van het gezin van Alidor Henri uit de doeken te doen, vinden we het niet onbelangrijk even stil te staan bij het Brussel in de tweede helft van de 19de eeuw, de tijd waarin het gezin daar woonde. Dit deden we ook reeds voor de familie Vandenkerckhove in Gent en bij het gezin van Jean Baptiste Joniaux omdat we beseffen dat het leven dat je leidt en de weg die je daarbij kiest afhankelijk is van tal van factoren, die zowel binnen de persoon zelf als buiten die persoon – in zijn gezin, in de samenleving – hun invloed doen gelden. Het is allemaal een kwestie van oorzaak en gevolg. De meeste van deze causale verbanden zullen we nooit kunnen waarnemen en we kunnen de resultaten hiervan dan ook enkel niet-beoordelend aanschouwen en beschrijven. Sommige verbanden kunnen aangetoond worden door intensieve observatie en research. Dit maakt het gemakkelijker ons empathisch op te stellen ten aanzien van de hoofdrolspelers en figuranten in de Joniaux Saga.

Na dit kort filosofische intermezzo stappen we opnieuw Brussel binnen. Naar verluidt zou de stad zo’n 1000 tal jaar geleden ontstaan zijn in het moerassige gebied van de Zenne. Zo zou ook de naam verklaard kunnen worden als zijnde een samentrekking en achteraf verbastering van de woorden “bruoc” (moeras) en “sella” (kapel, schuur). Er is dus zelfs enige etymologische overeenkomst tussen de naam Brussel en de achternaam van mijn echtgenote Rita Broekx. Net dat kleine riviertje de Zenne was voor de geschiedenis van Brussel van het allergrootste belang. In de 14de eeuw was de Zenne, wiens bron iets ten zuidwesten van de stad ligt, nog bevaarbaar. Men kon met kleine bootjes via achtereenvolgens de Dijle, de Rupel en de Schelde in Antwerpen en aan de Noordzee geraken. Doch de wisselende waterstanden en de massale ontbossing van het Zoniënwoud zorgde ervoor dat de rivier volledig verzandde en niet meer voor scheevaart gebruikt kon worden. Toch bleef haar belang groot. Het water werd gebruikt door de talrijke molens, de leerlooierijen, de ververijen en … de brouwers die er bier van brouwden. Maar de stad breidde zich stelselmatig uit en de Zenne werd zonder overdrijving een open riool die mede aan de oorsprong lag van de cholera epidemie van 1866. Men had zijn lessen getrokken uit de grote plagen die Londen geteisterd hadden en burgemeester Jules Anspach besloot de Zenne in het stadscentrum over een afstand van 1900 meter te overkappen. Elfhonderd huizen moesten verdwijnen en 100 miljoen bakstenen waren er voor nodig om op 30 november 1871 voor het eerst de drabbige watermassa van de Zenne door een gevangenis van bakstenen te laten stromen. Het voorbeeld van de Zenne illustreert de idee die toentertijd bij een aantal personen leefde: er waren problemen, grote problemen, maar die waren op te lossen door het vernuft van de juiste mensen op de juiste plek te gebruiken. En dan zou er een prachtige periode voor de boeg liggen. Een periode die men later de “Belle Epoque” zou noemen. Kunstenaars en architecten werden naar voor geschoven en konden zich uitleven in de zwierige zwaai van de Art Nouveau (bijvoorbeeld Victor Horta in Brussel). Ingenieurs konden zich uiten in ijzer en staal – denk aan de Eiffeltoren (1887-1889) in Parijs. Men kon iedereen gebruiken met technisch vernuft en frisse ideeën en één van die mensen was ingenieur Alidor Henri Joniaux.

>

Aflevering 037: Licht het anker!

Op 23 juni van het jaar 1856 scheepten Jean Baptiste Joniaux, 40-jarige arbeider, en zijn vrouw Anne Josephine Delongueville, 38-jarige arbeidster samen met hun kinderen Théophile, 11 jaar, Elisa, 6 jaar, en de kleine Jean Baptiste (junior), 2 jaar, in op het (zeil-)schip Clara te Antwerpen. En ze waren niet alleen. Gelukkig maar, want tijdens de zware overtocht en bij de opbouw van hun nieuw bestaan in de Verenigde Staten, konden ze alle steun en hulp gebruiken. Onder de medepassagiers ook Anne Joesephines oudere broer Jean (Albert?) Joseph Delongueville en zijn vrouw Balza Marie Anne met hun drie kinderen Hubert Joseph, Julie en Antoine Joseph; allen respectievelijk 52, 43, 15, 13, 11 jaar oud. Het feit dat ook zij de grote stap zetten, heeft vast en zeker meegespeeld in het maken van de beslissing om te emigreren.

We hebben ook van het schip zelf niet meer concrete gegevens, maar aan de hand van beschrijvingen van andere schepen die in die tijd gebruikt werden voor de Grote Overtocht, kunnen we ons toch een beeld vormen van het leven op zo’n schip. De grootste zeilschepen vervoerden 160 tot 200 passagiers tussendeks (er waren ook een paar kajuiten). Ieder passagier kreeg enkel een bank ter beschikking. Hierop kon hij een strozak leggen om te zitten, te rusten, te eten, te slapen en... zeeziek te zijn. De reiskoffers en hoeveelheden proviand voor 90 dagen bevonden zich in het ruim. Gehuwde mannen en vrouwen, kinderen, jongelingen en meisjes liepen, stonden of lagen allen dooreen. Men raadde aan om zijn vuilste kleren te dragen en die bij aankomst in zee te werpen. Om zo te zeggen bij iedere reis kwamen sterfgevallen voor. Een lijk bleef niet lang opgebaard: men weende en bad, de scheepsaalmoezenier gaf de zegen en het lijk werd over een plank in zee geschoven.

Of al onze vrienden/naamgenoten heelhuids de overtocht haalden en of men tijdig voor de winter een veilig onderkomen kon vinden, gaan we over meerdere weken pas vertellen. Het schip heeft in elk geval de Antwerpse haven verlaten en eenmaal op volle zee kon men enkel hopen op een gunstige wind en bidden dat men gespaard bleef van natuurgeweld en ziektes: ”Au nom du Père et du Fils et du Saint Esprit…"

Aflevering 036: Koken met Rita & Jos

Het lijkt ons een leuk idee eens wat dieper in te gaan op de proviand die midden de 19de eeuw meegenomen werd door onze vrienden emigranten naar de Verenigde Staten.

De aandachtige lezer heeft reeds gezien dat de hoeveelheid levensmiddelen die werd aangeboden voor een transatlantische tocht licht verschilde naar gelang de bestemming. Voor een tocht naar New Orleans had je iets meer nodig. Het verschil in hoeveelheid hesp is in onze tekst aanzienlijk (3,5 kg – 6 kg). We hebben het nagetrokken en in de oorspronkelijke tekst stond dit ook zo aangegeven. Het is dus geen schrijffout van onzentwege. We veronderstellen echter dat het respectievelijk 5,5 kg en 6 kg moet zijn.

Om een idee te krijgen hoeveel aardappelen er in een hectoliter zitten, hebben we onze eigen geteelde aardappelen eens gewogen en we komen tot volgend resultaat: 1 hectoliter aardappelen komt ongeveer overeen met 70 kg aardappelen. Dit blijkt na wat opzoekingswerk correct te zijn, want men sprak in die tijd ook van een "mud" aardappelen hetgeen gelijk stond met 1 hectoliter of 70 kg.

Vervolgens zijn we de energetische voedingswaarde eens gaan nakijken van een rantsoen voor een volwassen persoon voor een overtocht naar New York. Zonder de eventueel nog zelf meegebrachte voedingsmiddelen is één rantsoen goed voor ongeveer 215 315 Kcal. Delen we dit door 90 dagen, dan bekomen we een energietoevoer van bijna 2400 Kcal per dag. Een volwassen persoon met rustige activiteit (op het schip als passagier) verbruikt ongeveer 3000 Kcal per dag. Onze migranten zouden in dat geval licht vermagerd (60 gram per dag x maal 90 dagen= ongeveer 5.5 kg) in New York aankomen en ze zaten dan ook wel helemaal door hun voorraad. Viel de reis mee in duur (45 dagen), dan volstond het rantsoen inderdaad ruimschoots (qua energie). Spijtig genoeg wist men vooraf niet of de reis lang zou duren, zodat men in het begin veiligheidshalve best niet te gulzig was.

Tot zover onze randbemerkingen over de proviand.

Voor diegenen onder jullie die echt interactief met onze blog willen bezig zijn, hebben we een minikookcursus ingelast. In de tekst is er sprake van zeebeschuit. Zeebeschuit of scheepsbeschuit is een traditionele harde deegkoek die lange tijd kan bewaard worden en dan ook vaak werd meegenomen door vissers of zeelui voor lange tochten. De vorm van de zeebeschuit doet inderdaad denken aan die van een beschuit, maar daar houdt alle vergelijking op. Zeebeschuit werd verstrekt als een alternatief voor brood dat op deze lange reizen niet houdbaar bleef. Daarenboven was het niet altijd evident op de schepen vers brood te bakken. De zeebeschuit was vooral smakeloos en daarnaast zodanig hard, dat met name oude personen, met inmiddels slechte gebitten – problemen hadden met het stukbijten ervan. Vaak kom je dan ook de naam scheepskaak tegen. Om het eten te vergemakkelijken werd de zeekaak in stukken gebroken en in een kom met thee geweekt.

Genoeg theorie. We gaan bakken. Hier volgt een recept voor zeebeschuit op betovergrootmoeders wijze:
We hebben nodig: 1 kg bloem, 350 gram water, 7 gram zout, 7 gram suiker en 8 gram boter.

Kneed de ingrediënten tot een vast, homogeen deeg. Rol het uit, draaien, opvouwen en opnieuw uitrollen, dit enkele malen. Steek het deeg uit in platte koekjes en bak ze ca. 15 minuten in een voorverwarmde oven (200 °C). Bewaar ze afgekoeld in een goed afsluitbare (beschuit)bus.

En dan gaan we nu eieren conserveren. Dat kan door de eieren te marineren, een techniek die vroeger meer gebruikt werd.

We hebben nodig: 12 eieren, 10 gram peperkorrels, 20 gram verse gember (of 10 gram gedroogde gember), 10 gram pimentkorrels en 1 liter azijn.

Laat de eieren 10 minuten koken, giet ze af, laat ze schrikken onder koud water en pel ze. De peper- en pimentkorrels grof kneuzen (bijvoorbeeld in een vijzel). De gember fijn raspen. Alle specerijen in de azijn zachtjes laten koken. De gepelde eieren in een glazen pot stapelen en door een fijn zeef de enigszins afgekoelde azijn erop gieten. De pot goed afsluiten en wegzetten op een koele plaats (niet in de koelkast). Vroeger liet men de eieren dan een maand rijpen, maar een dag of tien volstaan ook. Dit is uiteindelijke een kwestie van je eigen smaak

Wil je de eieren gebruiken, dan haal je ze uit de pot en laat ze uitlekken. Eventueel droog je ze met wat papier. Je kan ze eten met een lekker stuk zeekaak. Smakelijk!

Voor alle kooklustigen: je kan dit veilig thuis proberen als je de zeebeschuit even weekt. Laat ons je mening over het resultaat horen! Veel succes!

Aflevering 035: Jean Baptiste J in Antwerpen

Het was eindelijk zover. Jean Baptiste Joniaux en zijn vrouw Anne Josephine Delongueville trokken voor het laatst de deur van het huisje waar zij tot dan woonden achter zich dicht. Ze hadden enkel de meest essentiële zaken uitgekozen om mee te nemen. De rest (van hun schamele bezittingen) ging naar de achterblijvers of werd zo mogelijks verkocht. Wat ze zeker niet mochten vergeten was de geloofsbrief van de Koning der Belgen en hun gebedenboek. De God waarin zij rotsvast geloofden zou hen zeker beschermen. Onderweg zouden ze ook regelmatig bidden voor een veilige overtocht. Dit gebedenboek heeft de oversteek over de oceaan twee maal overleefd. De eerste maal in 1856, de tweede maal als souvenir in handen van onze vriend Jean Joniaux, die het terug naar België bracht op één van zijn reizen. (En hier hebben we trouwens een argument om aan te nemen dat Jean Baptiste toch kon lezen. Mocht hij analfabeet zijn, dan zou hij aan een gebedenboek niets hebben.)

De aanblik van de grote stad Antwerpen met de Schelde die – bijna grenzend aan de Grote Markt – de toegangspoort vormde tot de rest van de wereld, moet het gezin Joniaux ontzag ingeboezemd hebben. Zij kwamen van het rustige platteland en hier wemelde het van het volk. Marktkramers, matrozen, emigranten die in deze mierennest hun weg trachtten te vinden en goed moesten oppassen niet bestolen of bedrogen te worden: zij hadden allemaal een reden om hier te zijn. En die reden had veel, zoniet alles, te maken met de zee die daar ergens in de verte moest liggen. Staande van op de kade in Antwerpen, met de stad in je rug, kon je het water langzaam naar rechts zien stromen en, daar achter die bocht in de rivier, daar lonkte de mysterieuze weidse wateren. Waar zeereizen in het verleden enkel weggelegd waren voor enkele zeevaarders, waren het nu gewone lieden die hun leven durfden toe te vertrouwen aan de willekeur van de natuur. De meest fantastische verhalen werden dan ook niet alleen verteld in de kroegen onder invloed van de nodige sterkedrank, maar ook schrijvers vonden hun inspiratie in het grote, soms ongenadige, onbekende van de overzeese gebieden. Denken we maar aan Jules Vernes (1828-1905) of Herman Melville (1819-1891). Deze laatste laat kapitein Achab een gewelddadige titanenstrijd uitvechten met een potvis in het boek Moby-Dick or The Whale.

Jean Baptiste had momenteel andere dingen aan het hoofd. Hij moest zorgen voor voldoende proviand om de lange zeereis voor hem en zijn gezin mogelijk te maken. De reis van Antwerpen tot New York duurde gemiddeld 33 tot 45 dagen doch het kon ook dubbel zo lang zijn bij windstilte of als het schip door storm uit koers geslagen werd.

In verband met de proviand lezen we het volgende in de toenmalige reglementen:"Volgens de bestaende verordeningen moeten de levensmiddelen voor 90 dagen volstaende zijn. Deze kosten in Antwerpen voor een volwassen passagier 35 tot 45 fr. (volgens hoedanigheid) voor New York, en 5 fr. meer voor New Orleans. Kinderen onder één jaar zijn vrij van levensmiddelen; die van 1 tot 8 jaer moeten halve portie hebben en die van 8 tot 12 jaren driekwart portie. Elke volle portie voor New York bestaet uit:
23,5 kilo zeebeschuit
22 kilo drooge groenten (erwten, boonen, rijst, bloem, gerst)
3.5 kilo hesp
3 kilo zout
2 liter azijn
1 hectoliter aardappelen
Voor New Orleans:
28 kilo zeebeschuit
26 kilo drooge groenten
6 kilo hesp
3 kilo zout
2 liter azijn
1 hectoliter aardappelen.
Daerbij kan men nog meenemen: gebraden of gerookt vleesch, uitgekookte melk, bewaerde eieren, lindebloemen, citroenen, enz. Daer men soms hevig aen verstopping lijdt: enkele pillen meenemen. Ook een lantaarn mag men zeker niet vergeten!"

Aflevering 034: De knoop werd doorgehakt...

In het verre België, en met name in Waals Brabant, had Jean Baptiste Joniaux vol spanning zitten wachten op de eerste berichten van zijn streekgenoten die in 1853 vertrokken waren naar Noord Amerika om daar een nieuw leven te beginnen. En de berichten, vaak behoorlijk positief gekleurd, kwamen er en werden van mond tot mond doorgegeven. De eerste pioniers hadden hun doel bereikt en spoorden de achterblijvers aan om zelf ook de grote stap te wagen. Jean Baptiste en zijn echtgenote Anne Josephine hadden intussen hun derde kind gekregen en de economische toestand in Europa werd er niet beter op. Zelfs de grote steden zoals Londen hadden te lijden van hallucinante epidemies van cholera, een ziekte waarvan men op dat ogenblik de oorzaak nog niet van kende. “Slechte lucht”, zo werd gezegd. Die lucht zou in Amerika vast gezonder zijn.

En toen hakten ze de knoop door. Ook zij zouden vertrekken. Natuurlijk ging dit gepaard met gemengde gevoelens. Jean Baptistes ouders (Jean François Joniaux °1792 en Marie Cathérine Blanpain °1796) leefden beiden nog. Waarschijnlijk zouden zij hen nooit meer weerzien. Ook Jean Baptistes zussen Rosalie, Marie Florence en Anasthasie zouden ze moeten achterlaten. Maar dit afscheid zou misschien niet voorgoed zijn, want ook zij twijfelden om de grote stap te zetten. In elk geval ondernam Jean Baptiste de nodige administratieve stappen en het grote avontuur kon beginnen.

In de eerste plaats kreeg hij een document dat door de minister van Buitenlandse Zaken in naam van de Koning der Belgen op 10 mei 1856 was uitgereikt. Dit document “verplichtte” iedereen die het te lezen kreeg, de drager ervan (in dit geval Jean Baptiste) met alle beschikbare middelen te helpen en hem niets in de weg te leggen. Zo een geloofsbrief moet de emigranten wel aangesproken hebben want wie zou er durven in opstand komen tegen de Koning der Belgen? Nu, aan de andere kant van de wereld had die “fameuze” Koning der Belgen niets te zeggen en het valt te betwijfelen of men er ooit enig voordeel mee kon halen. Als je ooit de kans krijgt de verhalen van Winnetou en Old Shaterhand, geschreven door Karl May, die zich afspelen tussen 1870 en 1880 te lezen, dan zal je zien dat minder eerlijke, reeds gesettelde immigranten en indianen lachten om dat stukje papier. Voor je het wist waaiden de stukgescheurde snippers met de woestijnwind mee en enige tellen later hing je scalp aan de gordel van zo’n onguur heerschap.

Maar Jean Baptiste had waarschijnlijk nog nooit van Karl May gehoord. De trotste bezitter van dit belangrijke document, koesterde het met de grootste zorg. Na hem deden dat zijn nakomelingen, want Jean Joniaux vond het in 1981 terug in Casco (Wisconsin VS). Een kopie ervan kan je digitaal bekijken op Joniaux Saga Documents bij de naam Jean Baptiste Joniaux.

Om deze geloofsbrief een persoonlijk tintje te geven werd de persoonbeschrijving van de eigenaar erop vermeld. Voor hen die de Franse taal niet kunnen lezen volgt hier het signalement van Jean Baptiste Joniaux in 1856:
Leeftijd: 40 jaar
Haren: bruin
Wenkbrauwen: id.
Ogen: grijs
Voorhoofd: klein
Neus: gemiddeld (nvdr: dus niet de scherpe, enigszins scheve neus zoals bij menig Joniaux op de welkomsfoto van de blog)
Mond: gemiddeld
Kin: rond
Gezicht: id.
Baard: bruin
Lichaamslengte: 1 meter 67 centimeter.

Het document was ondertekend door Jean Baptiste en was geldig voor de periode van één jaar...

Aflevering 033: Green Bay

Net op het ogenblik dat de Waalse immigranten het allemaal niet meer zagen zitten, ontmoetten ze een Franssprekende immigrant (of een Franstalige Canadees), die hen wist te vertellen dat er in Green Bay meer Frans gesproken werd. Green Bay lag zo’n 100 km ten noorden van Sheboygan. Daarom vertrokken de mannen onder hen in het midden van augustus uit de streek van Sheboygan op verkenning in de richting van Green Bay. Deze regio was beter geschikt en ze vonden bruikbaar land langs de Fox rivier in de buurt van Kaukauna, dertig kilometer ten zuiden van Green Bay, tegenwoordig tussen Appleton en Wrightstown.

Toen de mannen echter met het goede nieuws terugkeerden naar hun vrouwen en kinderen in Green Bay, werden ze ontvangen met slecht nieuws. Eén van de kinderen van Philippe Hannon was gestorven terwijl de mannen op zoek waren naar beschikbare gronden. Dit overlijden bleek de katalysator te zijn voor een belangrijke verandering van de plannen. De begrafenis voor de jongen vond plaats in de Franse Katholieke kerk in Green Bay. Geheel toevallig bracht een zekere pater Edouard Daems op dat ogenblik een bezoek aan de pastoor van Green Bay. Pater Daems was geboren en getogen Belg en hij sprak niet alleen Waals, hij was ook de pastoor van een nieuwe katholieke kerk in Bay Settlement, een kleine gemeenschap net iets ten noordoosten van Green Bay. Aangezien vrijwel alle pioniers katholiek waren, bleek dit een dubbele zegen. Pater Daems wist met veel overredingskracht de immigranten (en vooral de vrouwen) te overtuigen om toch niet naar het zuiden van Green Bay te trekken, zoals ze zich intussen hadden voorgnomen, maar om zo’n 15 km ten noordoosten van Bay Settlement grond te “claimen”. Deze streek doopten de Belgen om tot “Aux Premiers Belges”, hetgeen later veranderde in Robinsonville en momenteel Champion heet.

Deze Belgen waren de voorlopers van meer dan 15000 Belgen die de volgende 10 jaar de grote stap zouden zetten. Onder hen Jean Baptiste Joniaux en zijn echtgenote (zie aflevering van 26 februari 2008) die aan het thuisfront gespannen op nieuws van zijn streekgenoten hadden zitten wachten.


Aflevering 032: Het Beloofde Land

We zijn de afgelopen weken aan het grasduinen geweest in Joniauxstamboomtakken in België en we hebben de basis gelegd voor het verhaal van Carlos Joniaux die rond de eeuwwisseling 19de-20ste eeuw emigreerde naar Zuid-Amerika. Eerder hadden we een aanvang gemaakt met de exploratie van naamgenoten die naar Noord-Amerika vertrokken in het midden van de 19de eeuw. De economische toestand in België was dermate slecht dat ganse dorpen leegliepen en de inwoners ervan beproefden hun geluk in de Nieuwe Wereld. Zo ook de 180 passagiers op de Quinnebaug die op 17 mei 1853 afvoer richting New York. Ongeveer de helft van hen was afkomstig uit de regio Grez-Doiceau in Waals Brabant. Jean Baptiste Joniaux moet hun avontuur zo goed mogelijk opgevolgd hebben, want ook hij speelde met het idee te emigreren en een nieuw bestaan op te bouwen. Wil je je geheugen een beetje opfrissen, dan herlees je best nog eens de afleveringen van 26 februari en 1 maart.

Na een lange tocht vol ontberingen - de 5 maanden oude Jean François Maricq overleed onderweg - meerde de driemaster op 6 juli aan in New York. Tijdens de bijna 2 maanden durende zeereis – er werd gevaren met zeilschepen - had men besloten om naar Wisconsin te trekken. Dit staat was immers de hemel in geprezen in een Belgische propagandagids uitgegeven door J.F. Thielens. Deze was familie van de kapitein van de haven van Antwerpen, inspecteur bij de emigratiedienst en tegelijkertijd kabinetssecretaris van de gouverneur van Antwerpen. Thielens organiseerde de emigratie van landlopers, (ex-)gedetineerden en armen en had het monopolie ervan toevertrouwd aan de beruchte emigrantenwerver Adolf Strauss. De door hem uitgegeven brochure “Guide et conseiller de l’émigrant” spreekt van “een gezond klimaat… dat zelfs zachter is dan dat van de staat New York… Het ganse landschap lijkt er op een uitgestrekt Europees park… dat naar Europese normen onvoorstelbaar vruchtbaar is…” Men spiegelde de onwetende immigranten met andere woorden een luilekkerland voor. Thielens (met behulp van zijn kompaan Strauss) probeerde de emigrantenstroom naar het grotendeels ongerepte Wisconsin te kanaliseren omdat hij wist dat de Waals-Brabantse armoezaaiers niet de middelen hadden om zich grond te veroorloven in sommige oudere en meer ontwikkelde staten. Op de scheepslijst kunnen we zien dat de Belgische pioniers bestonden uit boeren, steenkappers, schrijnwerkers, enz.

Zonder vaste bestemming en oningelicht trokken 8 van de 10 Waals-Brabantse families (het gezin Pâques bleef enkele maanden in Philadelphia, dat van Xavier Martin bleef er zelfs vier jaar totdat hij het Engels onder de knie had) dus naar het noordoosten van Wisconsin via de traditionele route (zie hiervoor de kaart van het noorden van de VS). Deze ging over de Hudson rivier en het Erie kanaal met boten tot het Erie Meer. Na de oversteek hiervan ging het naar Detroit waar ze de trein konden nemen naar St. Joseph aan de oostelijke oever van het Michigan Meer. Daar konden ze het veer nemen naar Milwaukee waar ze aankwamen tegen eind juli 1853. De Waalstaligen volgden hun Nederlandstalige schipgenoten tot de streek van Sheboygan. Daar begon het tot hen door te dringen dat de Nederlandstaligen zich inmiddels de beste gronden reeds hadden toegeëigend en de taalbarrière bleek een ernstig probleem te zijn.

Wat nu gedaan?

Aflevering 031: Het gezin van Hubert Alphonse J

Op 8 februari 1912 stierf Lucien Joniaux, vader van o.a. Hubert Alphonse Joniaux (1879-1973) en van Antoon Evrard Joniaux, mijn grootvader (waarover later meer). Een kerkelijke overlijdensakte vind je op JSD.

Hubert had intussen een nieuwe vrouw leren kennen, Helena Daenen (°18 augustus 1883 te Heukelom). Van hun huwelijk hebben we geen exacte datum, maar hun eerste kind Antoine Joseph Joniaux werd geboren in 1913. Na hem volgden nog 6 kinderen. In totaal kende het gezin dus 8 kinderen, zijnde 3 jongens en 5 meisjes. De gezinssamenstelling, in relatie tot de afstamming van Jacques Joniaux, kan je op het bijgevoegde schema terugvinden. Op de foto in de episode van 18 mei zijn alle personen uit dit gezin (uitgezonderd de eerste echtgenote Maria Haesen) terug te vinden. Om de juiste persoon terug te vinden let je best niet enkel op de naam, maar ook op het volgnummer dat op de gezinssamenstelling telkens achter een persoon in superscript vermeld staat.

Helena Daenen overleed op 11 mei 1961. Hubert Alphonse Joniaux overleed op 94-jarige leeftijd op 18 februari 1973. Van beide personen vind je op JSD een bidprentje terug.



Aflevering 030: Hubert Alphonse Joniaux

Lucien Joniaux (1823-1912) had samen met zijn tweede echtgenote Anna Nelissen 5 kinderen. De nakomelingen van de oudste zoon Egidius Felix hebben we in de vorige aflevering besproken. Hij had enkel 3 dochters, zodat de naamgeving Joniaux hier stopt. Laat ons eens kijken of zijn broer Hubert Alphonse wel de mogelijkheid had om de naam verder te zetten.

Hubert Alphonse Joniaux (1879-1973) (zie groepsfoto in het stuk van 18 mei) werd iets meer dan een week voor Kerstmis geboren op 16 december 1879. Het was in diezelfde winterdagen dat Thomas Edison voor het eerst zijn gloeilamp uittestte en als nieuwe uitvinding patenteerde. Dit betekende een grote verandering in het leven van elke dag.

Ik heb persoonlijk Hubert Alphonse nog gekend. Hij woonde in hetzelfde dorpje Kesselt als mijn grootvader, met in die tijd slechts een 400-tal inwoners, en af en toe kwamen we elkaar daar tegen. Wij spraken nooit van Hubert Alponse, maar van “Neunkske” (nonkeltje: hij was de oom van mijn vader). Daarenboven, als men het had over de Hubert Alphonse en zijn nakomelingen, dan werden die steevast aangeduid als “dei van Zóniaux”. Bij de naam Joniaux wordt normaliter de beginletter “J” uitgesproken zoals bij het Franse “Jean” en de klemtoon ligt, zoals bij alle franstalige woorden, op de laatste lettergreep. Bij de familie van Hubert Alphonse werd de naam uitgesproken met een duidelijke “Z” van voor en de klemtoon op de “o” en dit terwijl mijn grootvaders achternaam, zijn broer, in hetzelfde dorp woonde en een hele andere uitspraak kreeg. Zijn dorpsgenoten spraken Hubert vaak aan als “Peerke”. Ook zijn broer, mijn grootvader, had een bijnaam; maar daarover later meer.

“Neunkse” kreeg de eretitel “Nestor van het dorp”, gezien de hoge leeftijd die hij bereikte. Als hij naar de kerk ging of op een feest verscheen, had hij een zekere présence. “Neunkse” was daar.

Hubert huwde in Vlijtingen met Maria Haesen die geboren was op 9 april 1882. Een huwelijksdatum hebben we niet, dus… Mocht jij die hebben, doe ons een mailtje en we vullen de gegevens aan.

Op 3 augustus 1908 werd hun huwelijk bekroond met de geboorte van een zoon, die prompt de voornaam van zijn grootvader kreeg, nl. Lucien Joniaux. Het geluk was echter van zeer korte duur, want 4 dagen na de geboorte van haar zoon, met name op 7 augustus 1908 overleed Maria Haesen. Niet alleen was de kindersterfte hoog, doch meer dan eens traden er bij de geboorte van een kind complicaties op die het leven van de moeder kostten.

Hubert Alphonse bleef verbouwereerd achter met zijn 4 dagen oude baby Lucien.

Aflevering 029: Egidius Felix J & Agatha Bruggen

We zakken af naar de volgende generatie. We zijn gestart bij Jacques Joniaux (1794-1878) en we bespraken het gezin van zijn oudste zoon Lucien Joniaux (1823-1912). Deze laatste had vijf kinderen, waaronder drie zonen: Egidius Felix, Hubert Alphonse en Antoon Evrard. Je kan deze personen terugvinden op de groepsfoto bij de vorige aflevering.

De oudste zoon Egidius Felix werd geboren op 5 februari 1876 in Vlijtingen. Hij huwde op 01 April 1913 met Agatha Bruggen (zittend uiterst links op de foto) die geboren was op 30 december 1870 in Veldwezelt. Samen kregen zij 3 dochters: Anna Maria Hubertina (bidprentje ter gelegenheid van haar overlijden in 1993 op JSD), Isabella Hubertina Maria en Maria Hubertina Josephina.

Egidius Felix overleed op 27 November 1960 te Kesselt (bidprentje op JSD). Zijn echtgenote Agatha Bruggen stierf enkle jaren eerder namelijk op 11 maart 1953 (bidprentje op JSD).

Gezien Egidius Felix geen zonen kreeg stopt hier de Joniaux naamgeving.

Aflevering 028: Lucien Joniaux & Anna Nellisen II

Vastbesloten om met een niet onbeduidend nageslacht toch nog enige stempel op de geschiedenis te kunnen drukken, zette Lucien Joniaux (1823-1912), oudste zoon van Jacques Joniaux (1794-1878), zijn beste “beentje” voor en wist in no time 5 kinderen te verwekken. Gelukkig voor mij en ook voor jullie, want zonder zijn volharding was ik er nooit gekomen en hadden jullie dus ook deze woorden niet kunnen lezen.

De gezinssamenstelling met bijhorende data kan je op de aan te klikken afbeelding zien.
Voor de kerkelijke huwelijksakte van Lucien Joniaux en Anna Nelissen II in 1875 verwijzen we naar de Joniaux Saga Documents. Hier vind je (bij documenten van Lucien Joniaux) ook een kopie van een stuk uit het stamboekregister dat door de pastoor werd opgemaakt en de gezinssamenstelling op een bepaald adres op een bepaald tijdstip weergaf. Ook hier wordt melding gemaakt van het buitenechtelijk kind van Anna Nelissen II.

We publiceren de welkomsfoto aangepast binnen dit tekststukje. Je kan ze vergroten door erop te klikken. De personen die ons bekend zijn hebben we voorzien van hun naam en, waar van toepassing, het filenummer uit onze databank. Ook in de volgende episodes zal je af en toe eens moeten teruggrijpen naar deze belangrijke foto. Met de oudste (Egidius Felix) en de jongste (mijn grootvader Antoon Evrard) kinderen van Lucien Joniaux hebben we reeds kennis gemaakt. Zij staan respectievelijk derde en eerste van rechts op de onderste staand rij. De overige kinderen van Lucien: Hubert Alphonse zit als derde van rechts op een stoel en zijn zus Isabella zit als 2de van links. Op het ogenblik dat deze foto gemaakt werd, was Josephina Emilia reeds overleden. Een bidprentje in 1926 uitgegeven bij haar overlijden kan je vinden bij Joniaux Saga Documents. Ondanks het feit dat zij “slechts” 49 jaar oud werd, haalden de kinderen van Lucien een gemiddelde leeftijd van meer dan 80 jaar. En dan herinner ik me een uitspraak van één van mijn professoren tijdens mijn opleiding in Leuven: “De beste manier om oud te worden, is ouders kiezen die oud worden.” Gezien de eerbiedwaardige leeftijd die de kinderen van Lucien Joniaux (1823-1912) bereikten, ziet mijn toekomst er rooskleurig uit. Toch is dit, zoals we later nog zullen zien, niet voor iedereen weggelegd. Leven en dood waren in die tijd, meer nog dan nu, dicht met elkaar verweven hetgeen een buitengewone mentale weerbaarheid vereiste.