In aflevering 050 en 051 hebben we aangetoond dat het leven van Antoon Evrard Joniaux en zijn beide echtgenoten allesbehalve eenvoudig was. Kenmerkend voor hun gezin was wel de zeer hoge kindersterfte. Tot nog toe hebben we de nakomelingen besproken van de drie oudste zonen die de volwassen leeftijd bereikt hebben:
Lucianus Antonius, Joris Joseph en Albert Mathijs Joseph. Het vierde kind dat oud genoeg werd om zelf nakomelingen te krijgen was eveneens een jongen: Mathijs Joseph Joniaux, mijn vader.
Mathijs Joseph werd geboren op 9 juni 1923. Zijn biologische moeder, Sybilla Moors, overleed op 5 april 1927 toen hijzelf bijna 4 jaar oud was. De opvoeding en verzorging van de kinderen werd overgenomen door zijn stiefmoeder Catharina Jeurissen. Hij groeide op in het dorpje
Kesselt, waar ikzelf in mijn jeugd vaak kwam gezien dit tevens het geboortedorp van mijn moeder was en er enkele nonkels en tantes woonden. Het dorpje lag op een enigszins hoger gelegen vlakte tussen
Veldwezelt en
Vroenhoeven in. Aan de oostzijde was er de scherpe begrenzing van het Albertkanaal. Aan de overkant hiervan begint Nederland met het (momenteel uitgedijde en uitdijende) stadje
Maastricht.
Kesselt zelf lag omringd door de vruchtbare akkers waar de leemgrond een schril contrast vormde met de dorre zandgrond van de
Kempen, waar mijn ouders later zouden gaan wonen en waar ik nu nog steeds woon. In die tijd was vrijwel elke inwoner tenminste deeltijds landbouwer, op een enkele uitzondering na. Gesloten vierkanthoeves, zoals het geboortehuis van mijn moeder, waren kenmerkend voor de landstreek. Via een klein deurtje, of de grote poort voor paard en kar, kwam je op het erf terecht, waar de dieper gelegen mestvaalt je welkom heette.
Bij de uitzonderingen op de landbouwregel, hoorden de cafés, waarvan er zelfs in dit gehuchtje meerdere waren en waar straffe verhalen tussen pot en pint verteld werden en het weer en de problemen met de oogst besproken werden. Nog een uitzondering was mijn grootvader die als postbode samen met zijn dochter een kruidenierswinkeltje runde.
Toen ik klein was, telde
Kesselt een 400-tal inwoners. Veertig jaar ervoor moeten er dat nog minder zijn geweest en met enkele straten was dan ook iedereen bereikbaar. De Kerkstraat begon “boven” aan de “reenkwovven” (de steenbakkerij) en eindigde een 500 meter verder aan de T-splitsing met de Smisstraat. Van hieruit een honderd meter naar rechts lag aan de rechter kant het ouderhuis van mijn moeder. Opnieuw honderd meter verder vormde het gehuchtje Klein Lafelt, dat deel uitmaakte van een andere gemeente en dat bestond uit één enkele straat, de zuidgrens van het dorp. In de tegenovergestelde richting maakte de Smisstraat een grote boog tot ze, net iets voorbij het ouderhuis van de tegenwoordige minister Keulen, eindigde op de “kiezelweg” tussen
Veldwezelt en
Vroenhoven.Het geboortehuis van mijn vader Mathijs Joseph lag op de hoek van de Kerkstraat met het Schoolstraatje aan de linker zijde als je van “boven” kwam.
Als jongen speelde mijn vader zoals al zijn leeftijdgenoten in de boomgaarden, omzoomd door vuurdoornheggen, waar ze in de bomen klauterden op zoek naar vogelnesten en waar ze in het fruitseizoen snoepten van de kersen, appelen, peren en pruimen. Elke afwijking van het normale levensritme was een welgekomen afwisseling. Zo “reisde” men met de ganse klas gezeten op de paardenkar naar
Maastricht bij wijze van schoolreis om zich daar in het stadspark aan de beren in kooien te vergapen. Zij vormden een ware attractie in een periode dat gewone mensen nauwelijks buiten hun eigen dorp kwamen. Merk het verschil op met de leefwereld van o.a. Alidor Henri Joniaux en zijn zoon Charles Joniaux voor wie reizen de normaalste zaak van de wereld was. In
Kesselt was zelfs de kermis iets om naar uit te kijken, ook al bestond deze kermis enkel uit een paar schommels. Maar het was een plek waar je je vrienden kon ontmoeten en misschien wel een meisje leerde kennen.
Of de vonk op de kermis overgeslagen is, weet ik niet, maar Mathijs Joseph Joniaux liet zijn oog vallen op één van de meisjes van Jan Bastiaens, namelijk Helena (Leen). Net zoals haar zussen was ze getooid met weelderige krullen en beschikte ze over een prima zangstem. Wanneer ze samen met haar broer Jean op de akkers geduldig met de hand onkruid wiedde, kon je hun liederen van ver horen. Kerkelijke gezangen werden afgewisseld met liedjes waarin de “deugden” van hard werken en nederigheid schering en inslag waren. Een ideale echtgenote voor Mathijs Joseph…
>